Naar 't heilig land
OPROER
19.
OPROER Het opgekropt verdriet brak baan: „Wij zullen zelf ons lot beslissen, want niemand van ons staat vooraan. Wij kunnen u als leider missen. Gij hebt uzelf tot hoofd gesteld. Wat hebt gij aan ons volk gegeven? Wij worden elke dag gekweld.
Is dit een oord om in te leven? Gij hebt 't beloofde niet gebracht, het land waar melk en honing vloeien. Wij komen om, ons gans geslacht. Hoe kan in 't zand een wijnstok bloeien? Gij paait ons met een visioen en leidt ons slechts naar schijnoasen, waar niets groeit clan gestekeld groen, waaraan ons vee de dood zal grazen."
Toen flitste plotseling een licht. Het was de heerlijkheid des Heer en! „Wijkt af van hen, vreest Mijn gericht. Ik zal hen in Mijn toorn verteren." Zij zonken in hun eeuwig graf en moesten voor Gods almacht zwichten. Wie Hem weerstaat vergaat als kaf. Wie kan bestaan als Hij gaat richten?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 januari 1965
Daniel | 16 Pagina's