Evangelieverkondiging per radio.
Evangelieverkondiging per radio. Wanneer we de brieven, die over dit onderwerp hebben gehandeld, nog eens de revue laten passeren, dan kunnen we vaststellen, dat er meer vóór waren dan tegen. Tussen twee haakjes, „Daniël" beslist niet, of nu onze dominees ook voor de radio zullen preken, natuurlijk niet. Dit laten we graag over aan onze kerkelijke leiders en de meerdere vergaderingen. Dit stel ik uitdrukkelijk voorop. Uit verschillende brieven is mij het tegendeel gebleken. Ik las ergens: „Onrijpe snotneuzen zullen wel uitmaken, hoe dat zit met die Evangelieverkondiging per radio." Afgezien van het feit, dat Gesprekleider al lang niet
meer behoort tot de onrijpe snotneuzen en de redaktie van „Daniël" ook niet, heeft de schrijver van dit fraais het wezen van de Diskussiehoek niet begrepen. Dit is nu echt eens een hoekje, waar iedere lezer vrij zijn mening mag zeggen over een bepaald onderwerp. Verdere pretenties heeft de Diskussiehoek niet en wil zij ook niet hebben. We praten alleen maar gezellig over een onderwerp, zoals we dat ook doen met een goede kennis. En dan acht ik het absurd, dat er mensen zijn, die hun abonnement opzeggen, omdat het onderwerp hun niet aanstaat of de meningen van verschillende lezers niet. Maar genoeg hierover. Om nog even op dat fraais van straks terug te komen, het is me als een onomstotelijk vaststaand feit gebleken, dat verreweg de meeste briefschrijvers niet meer behoren tot de kring der jongeren, maar dat het juist de ouderen geweest zijn, die gereageerd hebben. Er waren er zelfs bij, die de leeftijd der sterken en zeer sterken hadden bereikt.
Gezien het aantal meningen, dan kunnen we dus vaststellen, dat de meeste inzenders er voor zijn, dat ook onze predikanten de radio zullen gebruiken om de zuivere leer naar Gods Woord uit te dragen. Ook al weer een oudere merkte op, dat er heel goed schoon water door een vuile goot kan lopen. Nu zegt dit aantal natuurlijk niet zo veel, want het kan best zijn, dat juist veel voorstanders hebben geschreven, terwijl de tegenstanders de dop op de vulpen hebben laten zitten.
Bekijken we de aangevoerde argumenten, dan zal zelfs een buitenstaander kunnen constateren, dat de voorstandersargumenten duidelijk en over het algemeen wel omschreven zijn geweest, terwijl die van de tegenstanders bijna uitsluitend berustten op gevoelsargumenten en traditie. Ieder, die de zaak eerlijk en nuchter bekijkt, zal dat met me eens moeten zijn. Ik doe hier niets anders dan feiten constateren.
Nu de praktijk. Na de watersnoodramp in 1953 werd er een kerkdienst gehouden, interkerkelijk, ergens in Zeeland, naar ik meen. Deze dienst werd dooide radio uitgezonden en ook één onzer predikanten werkte daaraan mee. Als ik me goed herinner, zou hij het gebed uitspreken. Op één onzer Lagere Scholen werkte personeel, dat gedeeltelijk geen radio had en er ook niets van moest hebben. Maar bij de uitzending van bovengenoemde dienst, werd aan de kinderen voor een bepaalde tijd vrij gegeven en het onderwijzend personeel ging bij de buren luisteren (ook mensen van de Ger. Gem.), ook zij, die voor de radio geen goed woord over hadden. Nieuwsgierigheid? Misschien ook wel, maar toch ook, en dat weet ik zeker, om liet levende Woord te horen.
In „De Saambinder" van 3 september 1964 lees ik onder de titel „Brieven van het Zendingsveld" o.a.: „Zo is er in Manilla een zendstation, dat 24 uur programma's wijdt aan het Evangelie door directe verkondiging of programma's uitzendt, afgeleid van het Evangelie. Vooral Azië profiteert van dit programma en de miljoenen, die vooral in de geciviliseerde plaatsen wonen, kunnen het Evangelie kennen. Vele getuigenissen spreken ook van het feit, dat ze door radio-Manilla tot kennis gekomen zijn van Gods Woord. Maar in Azië zijn ook miljoenen mensen, die het Evangelie niet kunnen kennen door het feit, dat ze niet afweten van moderne communicatiemiddelen en te ver verwijderd zijn en daarom nog nooit met de „beschaving", nog minder met het Evangelie in aanraking gekomen zijn", aldus ds. Kuyt.
In één onzer gemeenten was eens een ledenvergadering. Bij de rondvraag stond er iemand op die vroeg, hoe de kerkeraad stond tegenover de radio. Voordat de voorzitter-ouderling tijd had te antwoorden, stond een ander lid op en verklaarde kort en bondig: „Radio is uit de hel, " waarop een andere ouderling
zei: „Daar ben ik het mee eens."
De voorzitter-ouderling nam nu het woord en zei: „Broeders, ik wil u eens wat zeggen. Ik ben lang ziek geweest, dat weet u allen. Toen ik herstellende was, maar nog niet in staat om naar de kerk te gaan, ging mijn vrouw op een avond wel naar de kerk, want het was dankdag. Voor zij afscheid nam, zei zij: Man, er is vanavond een goede dominee van de Chr. Ger. Kerk voor de radio, die houdt ook dankdag. Ik antwoordde: Och vrouw, ik heb wel een goed boek, maar ik was zo lang verstoken geweest van de levende verkondiging, dat ik de verleiding niet kon weerstaan en ik draaide het knopje om. En wat ik hoorde, deed mij geheel vergeten, dat ik niet in de kerk zat. Ik zat thuis en toch onder de levende bediening en werd zo bediend door die lieve Geest, dat ik er niet van kon zwijgen. Uit de vrucht van die prediking heb ik later mijn broeders nog mogen vertellen. En nu broeders, ik zeg niets meer van de radio als middel."
Op die ledenvergadering was alle mond gestopt, waar zo duidelijk bleek, dat de Heere zich ook door het middel van de radio had willen bedienen om één der Zijnen te vertroosten en te verlevendigen.
En verder zou ik er maar liever niet veel meer over willen zeggen. Uit het grote aantal brieven, dat ik mocht krijgen, is duidelijk gebleken, dat deze kwestie toch wel leeft onder onze mensen en dan acht ik toch wel zo langzamerhand de tijd gekomen, dat dit onderwerp eens doorgesproken wordt op de meerdere vergaderingen of bijv. op een conferentie van onze predikanten. En bij de uitslag van die bespreking zullen de voorstanders en de tegenstanders onder de briefschrijvers in de Diskussiehoek zich zeker neerleggen. Laten we van onze mening toch nooit een dogma maken. Die bezwaren heeft om naar
de radio te luisteren, die moet het vooral niet doen. Ik heb gelezen over een man, die uit principe nooit een krant las, maar alleen oudvaders en de Bijbel. Daar had hij genoeg aan. En naar wij geloven en mogen aannemen is die man ingegaan daar, waar nooit geen diskussie meer zijn zal. Maar van John Newton is de uitspraak bekend: „Ik lees in de krant om te zien hoe mijn hemelse Vader de wereld regeert."
Tenslotte wil ik alle briefschrijvers nog eens hartelijk bedanken voor de moeite, die ze zich gegeven hebben en de lezers en lezeressen voor het geduld, dat ze opgebracht hebben om deze lange diskussie te volgen.
Diskussie gesloten.
Gesprekleider.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1965
Daniel | 16 Pagina's