Een oratie over etische problemen bij Calvijn.
Dr. G. Th. Rothuizen: „Tweeërlei ethiek by Calvijn? Rede uitgesproken by de aanvaarding van het ambt van hoogleraar aan de theologische hogeschool te Kampen op vrijdag 25 sept. 1964". Uitgave van Uitgeversmaatschappy J. H. Kok N.V. te Kampen. 31 blz, , ing. ƒ 1, 95.
Wanneer men, zoals schrijver dezes, met biezondere belangstelling de rede heeft ter hand genomen waarmee Dr. Rothuizen, tot toen Gereformeerd studentenpredikant te Leiden, zijn hoogleraarsambt te Kampen heeft aanvaard, wordt men al lezende uiteindelijk uitzonderlijk teleurgesteld. Het tema toch dat hier behandeld wordt, het al of niet bestaan van tweeërlei etiek bij de hervormer van Genève, is wel zeer aantrekkelijk, maar de manier waarop dit wordt gedaan, stoot af!
Het uitgangspunt van deze kleine studie is een bijdrage van Ridderbos waarin hij Severijn bestrijdt. Die beiden zijn het echter volgens spreker hierin eens: Calvijn heeft geen natuurlijke etiek gekend! Hiertegenover stelt nu Rothuizen dat die natuurlijke etiek wel degelijk bij hem te vinden is. Calvijn staat weliswaar zeer kritisch tegenover de niet-kristelijke etika, maar heeft er niettemin ook veel waardering voor. De spreker plaatst hem tussen Luther, die in dezen wel te weinig kritisch was, en Bucer, die hem van het buitenkristelijke niet genoeg kon honoreren. Een en ander leidt tot de konklusie dat men meer van het profane moet appreciëren, zó zelfs dat de kristelijke etika zich hier en daar ook van haar overbodigheid bewust moet zijn: alles hoeft tenslotte niet gekerstend, aldus deze hooggeleerde. En dan is er verder volgens hem nog deze troost: eenmaal zal de tegenstelling worden opgeheven: als het kristelijke wegvalt en het menselijke overwint: de overdenking van het leven in de toekomst richt zich ook bij de hervormer van Genève op herstel en sublimering van de eigenlijke orde van de dingen. Maar men kan dit, volgens spreker, beter anders, speelser zeggen, zoals Mönnich het bij voorbeeld doet: dan zal het verschil verdwijnen tussen kinderen van God en harlekijns zoals Pierrot of zeelui zoals Sindbad, „Hierop past ons wel een halleluja!" is dan het besluit.
In 't bestek van een bespreking is het werkelijk niet doenlijk alles aan te stippen wat in deze rede uitnoodt tot kritiek. Intussen moet men toch wel konstateren dat dit geen biezonder hecht en fraai betoog geworden is. De uitweidingen maken het geheel niet overzichtelijk, en spreker drukt zich wat de inhoud aangaat vaak te vaag en wat de vorm betreft te slordig uit. Zijn Nederlands is ver van onberispelijk. Men zie de zin op bladzij 9, regel 5 tot 3 van onderen, waarin beweerd wordt „dat het laatste het eerste elkaar, ook bij Calvijn, niet per se behoeven uit te sluiten." Enzovoort!
Een zeer zwak punt in deze redevoering is dat spreker in 't begin verzuimd heeft aan te geven wat Professor Severijn onder etiek verstaat. Het eerste stuk van zijn oratie werd daardoor wel ver van overtuigend. Heeft hij Severijn volkomen recht gedaan? Trouwens, scherpe onderscheidingen treft men bij Rothuizen voortdurend veel te weinig aan. „Alles hoeft tenslotte niet gekerstend", zegt hij, maar wat men er dan noodzakelijk toch bij moet voegen, namelijk dat alles wel tot eer van God moet zijn, verneemt men bij hem niet. Iets dergelijks valt op te merken over de passage aan het eind. Inderdaad zal in de toekomst al het kristelijke eens verdwijnen, namelijk als Christus alles aan Zijn Vader zal gegeven hebben en God alles en in allen wezen zal, wat spreker eveneens geheel vergeet. Wat Sindbad en Pierrot hiermee te maken hebben, dat zou voor Calvijn een raadsel zijn geweest!
In de toespraken die op de rede volgen treft men ook biezonder rare dingen aan. Eén voorbeeld zij genoeg om dit gedeelte te typeren. Als de toch Gereformeerde
hooggeleerde zijn gedachten naar zijn Leidse vrienden uit laat gaan, denkt hij „aan diepe ernst en aan verrukkelijke onzin" (bladzij 20). Hoe men die verrukkelijke onzin — op zichzelf alreeds een wonderlijke zaak! — kan laten rijmen met een wandel in de hemelen — zie Filippenzen 3, vers 20 — en — om op 't gebied van de etiek te blijven — met het kristelijk vermaan van Paulus uit Efezen 5, vers 4, aangaande zot geklap en gekkernij, zal iedereen niet aanstonds inzien. Spreker echter heeft geleerd — zie bladzij 18 — dat Calvijn en calvinistisch niet altijd en overal elkander dekken. Inderdaad! Men leze er de kommentaren van de reformator van Genève op genoemde plaatsen maar op na!
Zelden zal men een oratie lezen waaraan men zich zozeer ergert: een ontstellend staal van neocalvinistisch doen en denken, waarmee men onmogelijk gelukkig wezen kan!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1964
Daniel | 16 Pagina's