„De tante van Charley"
| R O i w i a f i r |
Een kleine vijftig jaar geleden — het was in 1920 — was ons Christelijk volksdeel erg geschokt. Aan de Vrije Universiteit te Amsterdam werd een toneelstuk opgevoerd, getiteld. „De tante van Charley." En dan nog. wel een toneelstuk waar een man zich in vrouwenkleren moest steken! Bij de professoren en curatoren van de V.U. kwamen boze brieven binnen, waarin openlijke afkeuring werd geëist van de wijze, waarop het studentencorps Nil Desperandum Deo Diice zijn achtste lustrum had gevierd. Boze brieven waarin werd gewezen op de „lolmakerij" van gereformeerde studenten, waar-mee de gereformeerde zede werd geschonden en dat nog wel zo kort vóór en even nä de dood van de stichter van de V.U. Dr. A. Kuyper. Dat heeft toen veel pennen in beweging gebracht. Maar de opvoering ging door.
Het betrof een dwaze toneelvoorstelling van de uit het Engels vertaalde klucht „De tante van Charley". De rector van de senaat Henk Colijn (zoon van de nieuwe voorzitter van de a.r.-partij) was de als-dame-opleeftijd verklede student. Het toenmalige a.r. dagblad „De Standaard" wilde het eerst nog wat vergoelijken, maar toen het stuk publiek geworden was, schreef de rubriekschrijver Bijltje (R. C. Verweyck) in genoemd blad: „In onze revolutiedagen zien we met ontzetting de lichtzinnigheid hand over hand toenemen " Wij werden met deze geschiedenis weer eens geconfronteerd, toen we het boek van Ben Kaam, „Parade der Mannenbroeders" lazen, waarin flitsen uit het protestantse leven in Nederland van 1918 tot 1938 voorkomen.
De tijden zijn wel veranderd. De schrijver Ben Kaam heeft uit oude jaargangen van kranten en tijdschriften en uit de boekenkast der vaderen dergelijke voorvallen bijeengegaard en opnieuw voor het voetlicht gebracht. Hij geeft er geen commentaar op; ongemerkt is het vergelijkend materiaal met de tijd van een halve eeuw geleden en nu.
En zou nu nog met ontzetting de lichtzinnigheid worden waargenomen? In de Christelijke pers lezen we er niets van. Integendeel, de christelijke dagbladpers brengt verslagen van „christelijke" toneelvoorstellingen; er zijn „christe-
lijke" dansclubs en er worden foto's gebracht van „christelijke" clowns. Op programma's van chr. jongelings-, meisjes-e.a. verenigingen komt ook „toneel" voor; over verkleedpartijen van man tot vrouw of omgekeerd rept men niet meer. Dat „mag" allemaal in onze tijd. Zo'n vijftig jaar geleden werd het nog als zonde aangerekend, maar nu is zonde geen zonde meer. Men is nergens meer over geschokt. Het behoort tot de christelijke cultuur.
En dan zingt men aan het slot: Gods vriendelijk Aangezicht, geeft vrolijkheid en licht! We hebben het zelf eens meegemaakt dat de voorzitter aan het einde bad: Heer, we zijn ernstig geweest en we zijn vrolijk geweest wil er Uw zegen over gebieden. Daar wordt men toch koud van. Als men een blik slaat in het christelijk weekblad De Spiegel walgt men er van wat de „christelijke tieners" uithalen.
Toneel veroordelen deed men een halve eeuw geleden nog, maar kom er nu eens mee. Dan wordt men voor achterlijk versleten. Vroeger had de Statenbijbel, met mooie koperen sloten een ereplaats in huis. Thans — in duizenden christelijke gezinnen — de televisie. Proffessor G. Wisse noemde de televisie „de kijkkast van de duivel." Maar dat is allang een versleten woord. „We kijken niet overal naar" zegt men dan, maar de jeugd heeft de mond vol over Schwiebertje en consorten. En zo slijten we onze tijd en gaat het op de eeuwigheid aan.
Als we een blik op eigen erf slaan is er afzakking en wereldgelijkvormigheid genoeg te bespeuren. Wij nemen het helaas ook veel ruimer dan vijftig jaar geleden. Maar deze dingen mogen — neen moeten — toch wel eens genoemd. Niet dat wij beter zijn dan anderen, al doen wij niet aan toneel en al zijn we geen televisiekijkers. Maar slaat ons hart nog wel eens als we zonde doen? Ds. Fraanje zegt in zijn „Aantekeningen uit Catechisatiën" (blz. 39): Heb je nog een open consciëntie, die nog waarschuwt? Of nog een vader en moeder die vermanen? Ga dan niet door tegen beter weten in. Zoek toch je geweten niet te verdoven met doorzondigen. Eenmaal komt de tijd dat we voor God in het oordeel staan, "
Wij kunnen het beter te nauw nemen, dan te ruim. Onze oudjes zeiden: een nauw leven geeft een ruim sterven.
Rondkijker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1964
Daniel | 16 Pagina's