Naar 't heilig land
17.
GOD IN HET MIDDEN
Gij wilt niet meer aan onze dwaasheid denken, maar uit gena Uw trouw en liefde sehenken. De open rots zal allen blijvend drenken.
Het manna regent 's morgens op Uw wenken. Gij blijft de Leidsman, wie zal ons dan krenken? Wij volgen U, hoe ook de ivegen zwenken.
Wij zijn gelegerd om Uw heiligdom, totdat tot reizen wenkt de wolkkolom. Wij zien het wasvat en het altaar staan en horen zangen naar de hemel gaan. De priesters off'ren, zegenen en bidden. Verblijdt u, volk, want God woont in uw midden!
De hogepriester heeft de schuld beleden, de ark met bloed besprengd en God gebeden. Hij komt uit 't heiligdom naar voren treden.
Nu schenkt hij in Gods naam gena en vrede. Gods Aangezicht trekt verder met ons mede en vaster gaan de wankelende schreden.
Gods tent blijft in ons midden opgericht. In donk're nacht schijnt daar Uw heilig licht. Wanneer de zon zo onbarmhartig brandt, bedekt Gij ons vertroostend met Uto hand. Hoe zouden ivij dan and're goden vrezen? Welzalig 't volk, dat dicht bij U mag wezen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 december 1964
Daniel | 16 Pagina's