James Hudson Taylor
Nog geen bekeerlingen
Hudson Taylor kon dus nu aan de zendingsarbeid beginnen, nu hij zich gevestigd had in het londense zendingshuis te Shanghai. Dat zou men verwachten, maar niets was minder waar dan dat. Om alles goed te begrijpen, zouden wij de toestanden moeten tekenen, die er in die tijd heersten.
Het Chinese Rijk werd geteisterd door langdurige oproei-en, die nu eens minder dan weer in grote hevigheid oplaaiden. Allerlei oorzaken zijn daarvoor te vinden. De bevolking vermeerderde uiterst snel en die bevolkingsaanwas kon niet opgevangen worden door industrialisatie, zoals in Europa toen al het geval was. Engeland trachtte zijn handel met China uit te breiden en legde zich toe om steunpunten te vinden in dat uitgestrekte land. Later mengde zich Frankrijk ook in de woelingen, die telkens plaats vonden. Bekend is de Opiumoorlog van 1841—'42 en bij de eeuwwisseling spreekt men van de Boxeroorlog (1901—'02). Soms bracht het chinese leger de engels-franse strijdmacht geduchte nederlagen toe, maar de rollen werden ook wel eens omgekeerd.
Wij kunnen wel begrijpen dat er in zo'n tijd moeilijk zendingswerk kan worden verricht. Hudson Taylor was er nauwelijks of de Chinezen vielen de europese wijk aan. Wat moest er dan terecht komen van de zending?
U zult zich afvragen wat de zendeling dan hele dagen deed. Hij bracht zijn tijd toch niet in ledigheid door? VeiTe van daar. In zijn dagboek lezen wij: „Vóór het ontbijt houd ik mij bezig met mijn medische studie, daarna leer ik vijf uur lang chinees. Na het middaguur volgen twee uur met griekse oefeningen. De heerlijkste plichten zijn voor mij altijd het gebed, het lezen en mediteren van het dierbare Woord van onze Heiland."
Zo verliep een jaar van naarstige studie. Toen werden de onlusten eindelijk minder en de zendeling trok nu naar de chinese wijk en huurde daar een huis. Deze woning zou ingericht worden als zendingshuis. In één vertrek zouden de godsdienstoefeningen plaats hebben, terwijl er twee vertrekken moesten dienen voor de medische praktijk en voor de apotheek. Toen alles zo'n beetje liep, werd er ook nog een gedeelte van de woning voor schoollokaal ingericht.
Over belangstelling had de zendeling niet te klagen. Elke dag was het druk op het spreekuur van de dokter en veel medicijnen verhuisden van de apotheek naar de huizen van de zieken. Men ging vertrouwen krijgen in de geneesheer en toen het zover was, kwamen de mensen ook eens luisteren naar de godsdienst-
oefeningen. Ook kwamen meer kinderen op school.
Hudson Taylor vroeg zich af, of dit nu de manier zou zijn om een christelijke gemeente te stichten. Hi| vreesde er voor. Met de chinese onderwijzer ging het niet zo best naar zijn zin. De man was totaal ongeschikt voor zijn werk. En het ander personeel dat bij hem in dienst was gekomen? Ook dat was niet zoals het behoorde. Voortdurend maakte dat personeel ruzie met de buren. Er ging dus geen goede reuk uit van het zendingshuis. Maar dat kon de zendeling niet helpen. Het kostte hem veel hoofdbrekens. Zou hij het hier wel kunnen uithouden? Was er maar eens een bemoedigend teken. Kwam er maar eens een brief van het zendingsgenootschap. Maar neen, de zendeling ontving niets, ook geen geld. Het was alsof hij alleen op de wereld stond en niemand zich meer van hem iets aantrok. Dat was een bange tijd voor de jeugdige zendeling. Geen wonder dat we in zijn dagboek lezen: „Nooit heb ik in mijn leven zulke bange weken meegemaakt en toch ben ik mij ook nooit van de nabijheid Gods zo bev^oist geweest als juist nu." Dat zijn gelukkige standen in het leven. Dan kunnen onze harten in de Heere genist zijn, al zijn de smarten nog zo veel.
Wat Hudson Taylor had verwacht gebeurde. Hij moest de huur van het zendingshuis opzeggen en vestigde zich nu op het stuk grond van het zendingsgenootschap. Tot zijn blijdschap was daar een engels zendingsechtpaar, waarmee hij spoedig bevriend werd. Met de zendeling maakte hij uitstapjes naar de omliggende dorpen. En wat ze daar zagen! Het is moeilijk te beschrijven. Hier zagen ze de gevolgen van de vele twisten en burgeroorlogen. De huizen waren voor een groot deel afgebrand en de landerijen verwoest. De overgebleven bevolking leed honger en kou. Alles in de omtrek was een toonbeeld van schrikkelijke ellende.
Wat konden de zendelingen hier doen? Hoe zouden zij die grote nood kunnen lenigen? Zij hadden daar de middelen niet toe. En toch deden ze iets. Zij spraken met de tobbers en ze deelden bijbels uit. Die boeken konden voedsel voor de ziel verschaffen. De arme mensen ondervonden dat er toch nog gevonden werden, die zich met hen wilden bemoeien. Zij waren daar dankbaar voor.
Enige maanden later zien we Hudson Taylor met een vaartuigje, een chinese jonk, de rivieren opvaren. Een chinese onderwijzer vergezelt hem. Zij bezoeken de dorpen en stadjes, die aan de rivier liggen. Zij prediken waar het mogelijk is het evangelie. Het valt niet mee. Zij worden uitgelachen en nageroepen. Zij worden een keer naar hun boot geslagen en ze moeten maar een veilig heenkomen zien te vinden.
Toch houden ze vol. En dan gebeurt het dat velen uit nieuwsgierigheid naar het vaartuig komen en luisteren naar wat deze vreemden te zeggen hebben. Eens zegt een mandarijn (een hoge staatsambtenaar in China) na afloop van de toespraak van Taylor: „Uw filosofie heeft veel goeds." Dat was al veel gewonnen!
Toen de mensen vernomen hadden, dat die vreemde man ook dokter was, kwamen de zieken zich melden. Zo kwam er kontakt. Ook werd de zendeling geroepen als er iemand op sterven lag. Dat was al wel nuttig werk, maar waar bleven de mensen, die het evangelie van harte aannamen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 november 1964
Daniel | 16 Pagina's