JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Zuid-Afrika: Land van dè ontmoeting

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zuid-Afrika: Land van dè ontmoeting

6 minuten leestijd

VII

Gescheiden ontwikkeling. Dat was de naam van de Zuidafrikaanse politiek, waarmede we al vluchtig hebben kennis gemaakt. Dit beleid dat Afrikaner en Bantoe — elk in zijn eigen gebieden — dezelfde mogelijkheden geven wil, kenmerkte zich door twee opvallende trekken: het bevorderen van een geleidelijke overgang van de Naturellen naar een hoger beschavingspeil én een aansluiting bij het blijvend waardevolle uit 'hun eigen cultuur.

Deze twee lijnen zijn ook terug te vinden in de reusachtige aanval op het analfabetisme, die werd ingezet met de Bantoe onderwijswet van 1953. Voor die tijd hechtte de Bantoe weinig waarde aan onderwijs voor zijn kinderen. Vaak stond 'hij er zelfs vijandig tegenover. Het onderwijs zélf, toen nog voor een belangrijk deel verstrekt door een groot aantal kerken en zendingsgenootschappen, was daar de oorzaak van. Het Bantoe kind werd door blanke onderwijzers vaak opgevoed in een té Westerse geest, zodat het na de schooljaren vervreemd bleek te zijn van zijn cultuur, taal en volk.

Aan deze toestand heeft de Bantoe onderwijswet, gebaseerd op adviezen van de in Zuid-Afrika heel toekende volkenkundige Dr. W. W. M. Eiselen, een nogal radicaal einde gemaakt. Bijna alle scholen zijn aan de staat overgedragen, die deze op haar beurt laat besturen door de ouders van de kinderen zelf. De controle en de administratie van het onderwijs zijn toevertrouwd aan Bantoe schoolraden, samengesteld uit ouders, vertegenwoordigers van Bantoe autoriteiten en deskundigen, aangewezen door de regering.

Ook het onderwijs zelf is zonodig in nieuwe banen geleid. Behalve in lezen, schrijven en rekenen, wordt de jonge Bantoe nu in zijn eigen taal onderwezen in het sociale en maatschappelijke leven van zijn gemeenschap en directe omgeving. Eerst daarna gaat dit kind de wijde wereld verkennen. Binnen zijn gezichtskring komen de geschiedenis, het leven en werken van de andere Bantoevolken. Tenslotte neemt hij kennis van het reilen en zeilen van de Westerse maatschappij, waarbij zijn pas verworven kennis van het Engels en Afrikaans goede diensten bewijst.

Deze manier van onderwijs geven eindigt dus daar, waar de oude methode begon: bij de Westerse cultuur. Hiermee is veel gewonnen. De jonge Bantoe heeft immers eerst leren zien, dat zijn eigen beschaving elementen bevat, die het waard zijn behouden en uitgebouwd te worden. Daarbij behoren de taal, de geschiedenis, de muziek en de beeldhouwkunst van zijn volk, maar ook de dienst aan de gemeenschap, de erkenning van de stamnormen voor het zedelijke leven en de eerbied voor de ouderdom. Deze opvoeding tot zelfbewustheid stelt de Bantoe in staat de moderne wereld, die hem blijft boeien, meer kritisch te benaderen. Een dergelijke instelling, geeft hem de mogelijkheid om niet het klatergoud, maar de werkelijke vruchten van Westerse beschaving en techniek te gebruiken ter verrijking van zijn eigen volk.

En dat volk is bij déze gang van zaken langzamerhand wel geïnteresseerd geraakt. Het besef is geboren dat dit onderwijs de vertrouwde tradities en instellingen niet veracht, maar benut als startplaatsen voor jonge lopers naar een nieuwe toekomst.

De cijfers spreken een weliswaar droge, doch duidelijke taal. Het aantal schoolgaande kinderen is in de laatste tien jaar verdubbeld. In 1951 waren er ruim 700.000, in 1961 telde men er iets meer dan 1.600.000. In dat jaar kwam er nog gemiddeld één Bantoe school per dag klaar, terwijl Zuid-Afrika in 1960 al 8000 Bantoescholen bezat met 5000 schoolbesturen, 500 schoolraden en 25, 000 Bantoe onderwijzers, die waren afgestudeerd aan 43 kweekscholen. Ook zijn er 2 scholen opgericht voor de zoons van stamhoofden, die straks krachtens erfopvolging de plaats van hun vader zullen innemen. Gedurende vijf jaar ontvangen zij de wetenschappelijke scholing, die de moderne bestuurder nodig heeft.

Tenslotte heeft men een drietal Bantoe universiteiten gesticht, die jonge intellectuelen gereed maken voor de leidinggevende posities in de zelfstandig wordende staten. In het docentencorps, dat les geeft aan 1800 studenten, zijn reeds enkele Bantoe professoren opgenomen. En de kosten van dit onderwijs over de gehele linie? In 1962 wees de begroting 22 miljoen Rand aan. Dit is in Hollands geld circa 110 miljoen gulden. De Bantoe volken zelf betaalden hiervan 45 miljoen. Het restant van 65 miljoen werd bijgepast door de staat oftewel de blanke belastingbetaler.

Dit soort opsommingen is altijd wat vervelend. Ze hebben echter hun nut om het sprookje uit de wereld te helpen, dat Zuid-Afrika de Bantoe opzettelijk „dom" wil houden. In werkelijkheid doet het land aan de Kaap voor haar onderontwikkelden meer dan welk ander land ook ten Zuiden van de Sahara, zodat het analfabetisme binnen een twintig jaar verdwenen zal zijn.

Binnen het raam van de huidige politiek heeft de Zuidafrikaanse regering ook geprobeerd de maatschappelijke ellende weg te nemen, die de Bantoe woonwijken bij de grote steden te zien gaven. In deze „lokasies" van tienduizenden zwarte arbeiders was omstreeks 1950 nog geen straatsteen of lantaarnpaal te bekennen. Opgebouwd uit vuilnisbeltmateriaal stonden de éénkamerkrotten daar bij tientallen langs de wegen. De hygiënische toestanden waren ontstellend slecht: vertrekken — propvol kinderen en volwassenen — zonder sanitair, zonder stromend water, zonder verlichting en zo voort.

Bij het saneren van deze wantoestanden

ging men uit van het volgende principe: „In plaas van 'n klein getal in relatiewe luukse (huise) te plaas, moet die beskikbare geld gebruik word om almal se behuising geleidelijk op te bou, en daarby moet eie werkkrag en spaarvermoë van die Bantoe bygetrek word".

De Bantoe werd echter stelselmatig door de blanke vakbonden uit de woningbouwindustrie geweerd. De regering kondigde daarom direct een wet af, die het beroep van bouwvakarbeider en aannemer voor de Naturel openbrak. Verder zocht en vond men nieuwe bouwmethoden, die kosten en arbeid besparen konden. De staat stelde tenslotte ruim 100 miljoen Rand beschikbaar voor de financiering van de nieuwe projecten. Al deze factoren maakten het mogelijk de woningbouwproduktie op te voeren tot 50 huizen per dag.

In 1961 hadden reeds 1, 2 miljoen Bantoes een nieuw onderdak gevonden in ruim 350.000 eenvoudige, stenen huizen. Er zouden nog meer cijfers genoemd kunnen worden. Liever geef ik U de interessante notitie door, die ds. Gij mink op 8 april j.1. in zijn dagboek schreef: „Bezoek aan de bantoestad AtteridgeviHe-Saulsville bij Pretoria. Deze bantoestad telt 59000 inwoners en heeft 'n stadsraad van tien, natuurlijk zwarte, leden met als burgemeester de zeer bekwame Sotho Mngadi. Is dit het antwoord op de vraag: hoe moet het met de bantoe's in de blanke gebieden? 'n Eigen stad met eigen bestuur! Het blijkt een keurige stad, over 'n groot gebied uitgestrekt, met 20 scholen en 52 kerken. Zij is, naar het eigen gevoelen der bewoners verdeeld in drieën: voor de Nguni, de Sotho, de Shangaan-Venda's In deze stad kunnen de Bantoe's goedkoop wonen: driekamer-huizen met keuken kosten ƒ 3000, - ! wat door afbetaling te voldoen is. Maar ook bezocht ik hun luxe-huizen. — De medische verzorging in de klinieken is gratis; ik trof 'n blanke vrouwelijke arts, mej. de Villiers, die sinds 1960 de kliniek verzorgt. Zwarte artsen hebben particuliere praktijk. — Ook de kleuterscholen en bierzaal zijn schoon en aantrekkelijk. Voor 'n kleuter wordt, alles inbegrepen — o.a. twee maaltijden — ƒ 1, 25 per maand betaald! Wat is dit alles een enorme verbetering, vergeleken bij de slums jaren geleden!" - )


Dr. H. F. Verwoerd: „Naturellebeleid van die Unie van Suid-Afrika". Pretoria, 1952, blz. 11.

„Zó zag ik Zuid-Afrika!" Reisdagboek van G. J. H. Gijmink, Herv. Pred. te Rotterdam, voorzitter N.Z.A.W. Uitgave Ned. Zuid Afrikaanse Werkgemeenschap, 1964.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1964

Daniel | 16 Pagina's

Zuid-Afrika: Land van dè ontmoeting

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1964

Daniel | 16 Pagina's