Naar 't heilig land
14.
DE KAMP MET AMALEK
Als gieren kwamen z aangevlogen met felle spoed. En grimmig spanden zij de bogen, met helse haat in rollend' ogen, belust op bloed.
De pijlen troffen, zwakken, moeden, zo onverwacht. De kind'ren in de achterhoede verbloedden door de wilde woede van d' overmacht.
Toen werd de staf omhoog geheven, 't Was Gods banier! Dan moet de wreedste vijand beven. Beschaamd wordt hij terug gedreven: Gaat weg van hier!
De satan spiedt waar onze wallen vervallen zijn. Hij wacht het uur om aan te vallen en geeft dan aan zijn duizendtallen het helse sein.
Wie zou voor deze macht niet zwichten en ondergaan? Alleen als w' Uw banier oprichten, komt weer 't geloof de ziel doorlichten. Wij blijven staan!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 oktober 1964
Daniel | 16 Pagina's