Bestaan er natuurvolken?
Men spreekt wel eens van „natuurvolken", en dan worden daarmee b.v. de Papoea's bedoeld of andere inheemse stammen. Toch is dit niet juist.
Er bestaan n.1. helemaal geen natuurvolken. Ieder volk, hoe primitief ook hun bestaanswijze is, kent cultuur.
Ongetwijfeld bestaan er grote verschillen in beschavingspeil. Maar beschaving is niet hetzelfde als cultuur. Het is iets anders, het is minder. Het doet denken aan uitwendig glad slijpen van het dode hout. Een beschaving kan sterk uitgehold zijn en zo geestelijk op lager peil staan dan een meer primitieve cultuur.
Cultuur is aan alle mensen gemeen. Ook aan de primitieve volksstammen. Een primitieve stam in Afrika leeft in uiterst eenvoudige uit leem gemaakte hutten. Dit is cultuur (het omvormen van natuurlijke hulpmiddelen).
Maar het is cultuur in nog veel diepere zin. De hutten blijken n.l. op een bepaalde manier gerangschikt te zijn, om zodoende de gang van de zon weer te geven.
De natuurmens: een ideaal?
In de geschiedenis van de Westerse cultuur
vindt men in de literatuur dikfwijls de tekening van de pure natuurmens. Soms wordt deze dan voorgesteld als een armzalig, ibijna dierlijk wezen, verstoken van alle voorrechten der cultuur.
Men kijkt dan neer op de primitieve „wilde" en verheugt zidh over de vooruitgang welke cultuur en beschaving sindsdien doorgemaakt hebben.
Het komt echter ook omgekeerd voor: men ziet in de „wilde" de onbedorven mens. Een duidelijk voorbeeld is Rousseau: Terug tot de natuur.
Dat betelcent voor hem het eenvoudige leven van herders en herderinnetjes. Elen veel krachtiger protest tegen de cultuur werd de wereld ingeslingerd door Nietzsche.
De mens die weer durft te leven uit de grote natuurlijke driften, is de „Uebermensch", en hij verhoudt zich tot de mens, als de tegenwoordige mens zich verhoudt tot de aap. De natuurmens belichaamt dan een ideaal, dat niet meer bereikbaar is. Maar deze natuurmens, nu eens veracht, dan weer benijd, bestaat echter niet. Hij is een schimmig droombeeld, waarin de mensheid zijn eigen spanningen projecteert. De mens is nu eenmaal steeds cultuurmens. Wat de Westerse mens in de natuurmens zocht — nu eens achterstand, gemis, dan weer geborgenheid en geluk — dat vormt het spiegelbeeld van hem zelf als cultuurwezen.
Hebben dieren cultuur?
Al bestaan er geen natuurvolken, er bestaan toch wel louter natuurlijk levende wezens. Deze zijn echter geen mensen, maar dieren.
En dieren hebben geen cultuur.
Ze missen immers het menselijk beleid. De dieren kunnen vaak wel zeer intelligent handelen. De dierpsycholoog Kohier heeft opgemerkt, dat apen een stok kunnen gebruiken om een banaan buiten hun kooi naar zich toe te halen.
Wanneer men nu twee inschuifbare stokken in de kooi zou leggen en de aap zou deze aan elkaar schuiven om de banaan te bemachtigen, dan was de aap geen aap meer maar een mens.
Hij zal de stok alleen maar gebruiken in situaties, waar het dier uit is op directe bevrediging van zijn behoeften.
De mens gaat daar boven uit. Hij kan een instrument hanteren, ook al ontbreekt de directe prikkel tot levensonderhouding. Het dier kent een vanzelfsprekendheid der natuurlijke verrichtingen. Het dier is afgesloten, terwijl de mens het wezen is der mogelijkheden.
Het is ongerijmd te veronderstellen, dat bevers er eens toe zullen komen hun dammen niet meer met hout uit het bos, maar met gewapend beton te bouwen, of dat mieren in hun woningen luchtverversingsapparaten zullen aanbrengen.
Dit zijn immers menselijke en geen dierlijke mogelijkheden.
Zo vrij als een vogel?
Er is nog een verschilpunt en wel als we letten op de gebondenheid van het dier en de vrijheid van de mens. Hoewel het symbool van de vrijheid de vogel is, is het dier volstrekt bepaald door zijn instincten. Het dier is volkomen afhankelijk van de natuurlijke wetmatigheden. Het dier wordt geboren als dat bepaalde dier: aap, vogel, vis. Hij is wat hij is. Hij zakt weg in, valt samen met zijn lichamelijkheid. Bij de mens is dat juist anders. Hij is meer dan de waarneembare, objectieve gegevens. Hij is meer dan zijn lichaam alleen. Hij' stijgt daarboven uit, hij trancendeert deze. Hier ligt ook één van de bezwaren tegen schoonheidskoninginnen etc.
Maar wat is de mens dan? De wijsgeer Pascal zegt: ni ange, ni béte (geen engel en geen beest).
We kunnen alleen maar grenzen aangeven en zoeken in de onmetelijke ruimte, die Pascal ons opent. Dit menselijk speelvlak, deze vrijheid houdt edhter verantwoordelijkheid in.
Het doden van een dier door een ander dier is een natuurgebeuren; het doden van een mens door een ander mens speelt zich af binnen de culturele wereld van vrijheid, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
Maar daar staat tegenover, dat de mogelijkheden tot vrije beslissingen vaak onrust betekenen. De vrijheid kan tot chaos, ontwrichting en onmenselijkheid leiden. Cultuur kan schoonheid en vreugde verschaffen, maar ook misdaad en angst. Want de vraag is immers, hoé de mens zijn mogelijkheden gebruikt.
Het is een verheven onrust, die het dier vreemd is, n.1.: maatstaven te vinden, die boven het natuurlijke uitgaan en welke zijn leven als cultureel wezen voor ontwrichting kunnen behoeden.
V. B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 oktober 1964
Daniel | 16 Pagina's