De engelen des Heeren
Over dit onderwerp sprak Ds. G. Schipaanboord op de jaarvergadering van de Bond van meisjes-en vrouwenverenigingen, 3 juni 1964 te Utrecht.
In dit en volgende nummers van „Daniël" wordt deze leerzame lezing in haar geheel afgedrukt.
I
Geachte vergadering,
Wat is het opmerkelijk dat wij zo weinig stilstaan bij de engelen des Heeren; dat er zo weinig bekend is van hun heilzame arbeid in het leven van Gods Kerk hier op aarde, terwijl zij zulk een grote plaats in de Heilige Schrift innemen. Een materie, waarover wij ongeveer honderd plaatsen in het Oude-en ruim tweehonderd in het Nieuwe Testament vinden. Men kan verschillende malen lezen over de Engel Gods, de Engel des Heeren.
Als kind wisten wij reeds dat de engelen zongen bij de geboorte van de Heere Jezus, dat ze met Pasen hulde brachten aan de opgestane Levensvorst en aan de Hemelvaart luister hebben bijgezet, toen er twee engelen kwamen die spraken: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel?
En dan enkele overbekende verhalen uit de Oud_ en Nieuwtestamentische geschiedenis en dan houdt het op. Wanneer we onze belijdenisgeschriften er op na zien dan is het een enkele maal dat ze voor het voetlicht worden geplaatst. Onze H.B.C. spreekt ervan in zondag 49, de derde bede: zo gewillig en getrouw mogen bedienen en uitvoeren als de engelen in de Hemel dat doen. Ze nemen dus een zeer bescheiden plaats in, ook in de prediking des Woords en toch, wat is de betekenis van die heilige engelen in Gods Kerk van grote en heilzame lering, die we helaas zo geneigd zijn te onderschatten. In de loop der eeuwen zijn de engelen het onderwerp geweest van de beeldhouw-, schilder-en dichtkunst. Ze werden getekend als gevleugelde figuren; het was sentimenteel en had iets zoetigs. Vooral toen de kerk van het fundament, gelegd door apostelen en profeten vervreemd werd en de kerk der apostelen een Roomse kerk werd. En dan denken we aan een stervend kind met een moeder die schreit met op de achtergrond een engel. De arbeid van de engelen is van grote betekenis, zoals we dat uit de Heilige Schrift mogen vernemen, niettegenstaande de realiteit, d.w.z. de werkelijkheid, van de engelenwereld, zoals we die mogen beluisteren en dan geldt het ook ten deze: Onbekend maakt onbemind.
Nee, dan is het niet het voorstellen in de kunst, het vleselijk denken en uitbeelden van een menselijke gedachte, maar dan houden we onwrikbaar vast wat des Heeren Woord ons daarvan mededeelt. En gelukkig heeft de leer van de gezegende hervorming een forse streep gehaald door al dat zoetige en weeïge dat Rome maakte van de heerlijke engelen wereld, door haar leer over die geestenwereld en de Roomse praktijken zoals men die ook nu nog kan beluisteren. Men spreekt bijvoorbeeld van: zalig vinden, een zalig Nieuwjaar, zalig gedanst, ja erger, als men een borrel drinkt noemt men het zalig; alsof een engel onze tong nat maakt. Het is walgelijk. Nee, vriendinnen, die richting heeft de hervorming ter neder geworpen en is teruggekeerd tot de nuchterheid van Gods Woord. Hoe komt dat? Omdat Rome's leer zoveel tussen de heilzoekende zondaar en Christus, het Hoofd der kerk, heeft geplaatst: bisschop, priester, Maria, engelen enz. en dan is er in Rome's kerk geen plaats voor Christus' arbeid. De hervorming heeft al die staketsels omver geworpen en heel die kerkelijke opsmuk, ook die der engelenverering en - aanbidding buiten de deur gezet, ja meer, radikaal afgesneden. Want niet de engelenprediking en de christenprediking, maar de Christusprediking, die predikt des Heeren Woord. Dat deed Paulus belijden: Ik heb mij niet voorgenomen dan Jezus Christus en Die gekruist, welke toch de weg, de waarheid en het leven is! Want de Wet is door Mozes gegeven en de genade en de waarheid zijn door Christus geworden.
Art. 26 van de Ned. Gel. Bel. spreekt dan ook scherp en toch zo liefdevol over de enige voorbidding van Christus. Dat Christus de plaats inneemt die Hij alleen kan innemen en alleen behoort in te nemen, wat door Zijn Vader is bevestigd en door de Heilige Geest krachtig is bewezen. Wat is dat diep beschamend voor ons, voor Gods volk.
In art. 12 van de N.G.B. wordt zakelijk gezegd dat God de engelen goed geschapen heeft om Zijn zendboden. Zijn gezanten te zijn en de uitverkorenen te dienen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 september 1964
Daniel | 16 Pagina's