Naar 't heilig land
ELIM
11.
Wat tvif eens leden wordt verzoet, nu wij in 't lommer van de bomen beschut zijn voor de zonnegloed en wij ons loassen in de stromen.
Nu ik mijn moede voeten strek, gevoel ik pas het zware zwoegen vanaf ons heugelijk vertrek, toen toij zo dapper ons gedroegen.
Ik hoor het borr'len van de bron, die al wat dood scheen op doet leven. De vruchten zwellen in de zon en zullen nieuwe krachten geven.
Ik lig op 't groene veld gestrekt en zie de wijdgespreide veren, een koepel die mij overdekt. Is hier het eind van 7nijn begeren?
Is dit de volle zaligheid, het land om blijvend te beƫrven, van last en vijandschap bevrijd, het eindpunt van ons moede zwerven?
Straks icenkt de tvolkkolom ons voort, 't Is slechts een voorsmaak van de hemel, een rustplaats in het dorre oord. De Leidsman roept! Ontbindt de kemel!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1964
Daniel | 16 Pagina's