Zuid-Afrika: Land van dè ontmoeting
V
Hoe hebben de Afrikaners, de Boeren uit Uw geschiedenisboekje dus, gereageerd op de intocht van de duizenden Naturellen in hun moderne, geïndustrialiseerde maatschappij?
Om deze vraag wat reliëf te geven, is het goed nog eens in het kort de gevolgen te memoreren, die het kontakt met de Westerse beschaving voor de Bantoe zelf meebrengt: de sociale eenheid van de stam brokkelt af, de trouw aan de groepstraditie en de groepsmoraal begint te verdwijnen, de religieuze en zedelijke normen worden ernstig ondermijnd, de aanwas van de bevolking blijft toenemen en de primitieve economie is in een ver gevorderd stadium van ontbinding gekomen. Samengevat in vijf woorden komen deze gevolgen van de ontmoeting met de Westerse beschaving dus neer op: ontwrichting van al het bestaande.
Deze ontwrichtmg beperkte zich niet tot het leven van enkele duizenden mensen. De trek van de Bantoe naar de steden ging in de jaren onmiddellijk na de tweede wereldoorlog in versneld tempo voort. In 1946 hadden zich „sledhts" 1, 7 miljoen Naturellen in de stedelijke gebieden gevestigd. In 1953 was dit aantal gestegen tot 4 miljoen, d.w.z. bijna 46®/o van de gehele Bantoe bevolking.
De blijdschap der Afrikaners over de opbloei van hun naoorlogse economie werd spoedig getemperd. Het begon tot hen door te dringen, dat de uitbouw van de
in het bijbellezen en bidden (ook in de kazerne!)
Wanneer we dit goed beseffen, zullen we niet tegelijk met ons burgerpak ook onze godsdienstige opvoeding in de kast hangen.
Dan zal ook het gezegde „Ik behoor eigenlijk tot " wel tot het verleden behoren. Denk dan in plaats daarvan aan het woord van de Heere Jezus „Die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik belijden voor Mijn Hemelse Vader."
Militair.
industriële centra gepaard ging met de opname van miljoenen Naturellen in het arbeidsproces. En de onontkoombare vraag moest toen worden gesproken. Zullen de 11 miljoen Bantoes die ons land bewonen, straks de 3, 5 miljoen blanken geheel overspoelen?
Bij de Afrikaners groeide het besef dat deze geweldige ontwikkeling een bedreiging inhield voor hun bestaan als zelfstandig volk. Nu reeds is immers de economische assimilatie (samensmelting) in volle gang. Laat men dit proces zich ongestoord voltrekken, dan zal straks sociale assimilatie van beide volken volgen. En tenslotte zal, nog steeds volgens de gedachtengang van de Afrikaner, de biologische versmelting komen, die het einde zal inluiden van het blanke bevolkingsdeel.
Deze gedachte is voor de blanke, die een sterk, tijdens het isolement gegroeid nationaal besef omdraagt, onuitstaanbaar Zij kondigt immers de ondergang aan van zijn volk, zijn taal, zijn godsdienst en cultuur. Om dezelfde redenen kan de Afrikaner de Bantoe in de oorspronkelijke blanke gebieden geen gelijke politieke rechten geven. Door hun aantal zouden de Naturellen de Afrikaners overvleugelen en alle macht in een minimum van tijd in handen krijgen. Dan zouden barbarie en chaos hun intreden doen, want het beschavingspeil van de stedelijke Bantoe is uiterst laag, terwijl zijn stamgenoten in de thuislanden nog geheel in een primitieve maatschappij leven. Dan zou het werk van eeuwen geruïneerd worden. „Moet hierdie staat homself nou gaan uitlewer aan die chaotiese magte wat hom bedreig? Geen staat in die wereld sal toelaat dat chaotiese magte in sy midde seëvier nie. Moet die Ohristene wat burgers van hierdie staat is, hetsy aan watter groep hulle behoort, hulle oorgee aan magte wat hierdie staat kan vernietig? " - )
Onthoudt men de Naturel echter politieke rechten, dan dreigt een andere catastrofe. Als de vloedgolf van het antikolonialisme en het nationalisme, die geheel overig Afrika in beroering brengt, ook de harten van de Naturellen in vlam en vuur zet, zullen zij ongetwijfeld de blanke minderheid na korte of lange tijd verdrijven en vernietigen. Kenia en Kongo gaven reeds hun bloedig voorbeeld.
Al deze overwegingen hebben de Afrikaners genoopt aan de naoorlogse ontwik-
keling een halt toe te roepen, omdat de ernst van de eis tot zelfbehoud niet langer kon worden geloochend.
De sterke nadruk op de eis tot zelfbehoud is echter niet de enige reaktie, die onder de Zuidafrikaanse blanken na de komst van de Bantoe kon worden beluistei-d. Verbijsterd heeft de Afrikaner gezien hoe het kontakt tussen de primitieve en de Westerse maatschappij het leven van de Naturellen totaal dreigde te ontwrichten. De ontreddering, die zo'n ontwrichting van een primitief volk te weeg brengt, grenst voor ons aan het onvoorstelbare. Ik kan dit het best illustreren door enkele regels af te schrijven uit een boekje van Dr. Boeke, gepubliceerd in 1955: „Recente cijfers wijzen uit dat in de grote steden van de Unie feitelijk evenveel kinderen buiten de echt als in huwelijk geboren worden. Verreweg het grootste percentage dezer kinderen heeft ongehuwde moeders. De woningtoestanden zijn erbarmelijk; de jeugd is losbandig en crimineel. Tachtig procent van de stads-Naturellen tussen 15 en 18 jaar slenteren werkloos rond, alleen in gangsterverband georganiseerd."
Deze ontreddering bracht de blanke tot inkeer. Wat had hij eigenlijk gedaan? Hij was zich niet of amper
bewust geweest van wat er zou kunnen gebeuren, toen hij de Bantoe uit het stamverband naar zijn werkplaatsen, fabrieken en mijnen riep. In feite had hij deze primitieve mens, die alles in religieus licht bezag, zonder meer als nummerdrager geworpen in het kolkend bruisen van een moderne en god-loze maatschappij. Toen de geestelijke, sociale en economische chaos zich begon af te tekenen, kwam de Afrikaner tot het besef dat hij medeverantwoordelijk deze gang van tragische zaken. was voor
Er moesten middelen gevonden worden om de Bantoe weer zedelijk en sociaal te verheffen. Er dienden wegen te worden gezocht om plotselinge ontwrichting te voorkomen. Ook vanuit dit gezichtspunt gezien, kon en mocht de eerste, onvoorbereide ontmoeting tussen de Westerse en de
primitieve beschaving niet langer voortgang vinden.
Doch als de Afrikaner aan de eis tot zelfbehoud vasthoudt en tevens zijn medeverantwoordelijkheid met-ter-daad tot uitdrukking wil brengen, welke weg kan er dan nog worden ingeslagen?
Zie het artikel: „De Afrikaner en het isolement" in „Daniël", 18e jrg., blz. 110 en 118.
-) Dr. F. C. Fensham in: „Grense". 'n Simposium oor rasse-en ander verhoudinge. Stellenbosch, 1961, blz. 135.
•') „Het rassenvraagstuk in de Unie van Zuid-Afrika". Stellenbosch, blz. 5.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 september 1964
Daniel | 16 Pagina's