HET WOORD AAN
W. te G., die schrijft:
„In het artikel „Beroep als roeping" zegt u dat Calvijn ons beroep ziet als een roeping van God. Maar hoe valt dit dan te rijmen met de roeping tot het leraarsambt?
Verder: als iemand dagelijks aan de „lopende band" werkt, moeten we dan dit geestdodende werk ook zien als een roeping van God? "
Roeping en toerusting
N.a.v. de vraag „wat voor dienaren" in de kerk „aangesteld moeten worden" schreef Calvijn het volgende:
„Ik spreek over de uiterlijke en officiële roeping, die betrekking heeft op de openbare orde der kerk; de verborgene echter, van welke iedere dienaar zich voor God bewust is, en van welke hij de kerk niet tot getuige heeft, ga ik voorbij. Zij is het goede getuigenis van ons hart, dat wij het aangeboden ambt aannemen niet uit eerzucht, noch uit hebzucht, noch uit eenige andere begeerte, maar uit een oprechte vreeze Gods en uit lust om de kerk op te bouwen.
Dit getuigenis is, zoals ik gezegd heb, voor een ieder van ons noodzakelijk, wanneer we onzen dienst bij God aangenaam willen maken. Maar toch is niettemin hij voor het aanschijn der kerk behoorlijk beroepen, die met een slecht geweten tot het ambt toetreedt, wanneer slechts zijn boosheid niet openlijk bekend is. Men pleegt ook te zeggen.
dat ook particuliere personen tot het ambt geroepen zijn, van wie men ziet, dat ze geschikt en bekwaam zijn om het te bekleeden, en wel omdat geleerdheid verbonden met vroomheid en de overige gaven van een goed herder een zekere voorbereiding er toe is. Want hen, die de Heere tot een zoo groot ambt bestemd heeft, rust Hij eerst toe met die wapenen, die tot de vervulling ervan vereischt worden, opdat ze niet ledig en onvoorbereid komen. Daarom heeft ook Paulus in zijn brief aan de Corinthiërs (1 Cor. 12 : 7), toen hij over de ambten zelf wilde handelen, eerst de gaven opgesomd, met welke zij, die de ambten bekleeden, moeten begiftigd zijn" i).
Ieder die het ambt van dienaar des Woords aanvaardt, moet zichzelf hiertoe door God geroepen weten, m.a.w. „niet uit eerzucht, noch uit hebzucht, noch uit eenige andere begeerte, maar uit een oprechte vreeze Gods en uit lust om de kerk op te bouwen". Deze innerlijke (verborgen) roeping is — als „goede getuigenis van ons hart" — volgens Calvijn onttrokken aan het oordeel der kerk. Daarom moet ook iemand die met een slecht geweten tot het ambt toetreedt, als zijn „boosheid niet openlijk bekend is", toch als „behoorlijk beroepen" aanvaard worden; „de kerk oordeelt niet over het hart".
Calvijn spreekt over „roepingen", omdat dezelfde God de mensen tot verschillende werkzaamheden roept: „de ene tot dienaar des Woords, de andere tot ambachtsman en de derde tot magistraat". Allen zijn geroepen door dezelfde God, echter tot verschillende posities.
De roeping tot het ambt van dienaar des Woords sluit een zekere toerusting niet uit, maar juist in: „geleerdheid verbonden met vroomheid en de overige gaven van een goed herder". God roept niet „zo maar" tot dit ambt, nee: Hij rust „eerst toe met die wapenen, die tot de vervulling ervan vereist worden, opdat ze niet ledig en. onvoorbereid komen".
Roeping in 1964?
Calvijn leefde in 'n maatschappij met „standen" (adel, geestelijkheid etc.). In 'n „stand" werd men geboren en men bleef daar veelal levenslang in. De zoon volgde de vader op in z'n beroep, slechts enkelen konden door 'n bizonder voorrecht tot 'n andere en hogere „stand" toegelaten worden. Er was m.a.w. weinig beweging in die maatschappij en 'n beroep behoefde men niet te kiezen.
Maar in 1964 kennen we geen standen meer en spreken we over beroepskeus. Verschillende mensen veranderen van tijd tot tijd van werkkring en vaak ook van werk of beroep.
En dan toch over roeping praten? Is dit alles niet veel meer een kwestie van willekeur en toeval? Ja, wat betekent roeping in 1964?
Wel, als je de advertenties nagaat om te solliciteren, vraag je dan af: heb ik de gaven (van God!) voor dit werk? ; kan ik juist in die werkkring God en mijn naasten (hier én daar) dienen?
We moeten m.a.w. niet allereerst letten op het gunstige loon en andere arbeidsvoorwaarden, maar veel meer op de vraag; kan ik daar staan als geroepene van God? De eerste dingen „zoeken de heidenen", „uv/ hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden".
Dit kan betekenen dat je om Godswil een werkkring of beroep met lager loon en langer werktijden verkiest boven een met hoger loon en lange vakanties! Roeping is n.1. niet doen waar wij zin in hebben, maar doen wat God wil! God kan via die ene onaantrekkelijke advertentie juist op jou een beroep doen.
Nu is er helaas veel werk, waarin de mens zich slechts zeer gedeeltelijk „geven" kan. Allen, die zulk werk geven — alle werkgevers! — hebben de roeping om hierin verandering te brengen. De mens, de werknemer, is niet ondergeschikt aan de bedrijfswinst! En zulke mensonwaardige toestanden kunnen niet goedgemaakt worden door hogere lonen, bedrijfsuitstapjes, voetbalwedstrijden, etc. Het kwaad moet in de wortel aangetast worden, en anders woekert het op grote schaal steeds verder voort.
De bedrijven dienen alles in het werk te stellen om aan het half-geautomatiseorde werk (lopende band e.d.) zo snel mogelijk een vol-automatisch karakter te geven; b.v. door hogere investeringen t.b.v. het machinepark.
Niettemin bevat élk beroep (veel) routinewerk. Denk b.v. aan de huisvrouw, die élke dag dezelfde kamer aanveegt en dezelfde kopjes wast, enz. enz.
De „bazen" van de slaven in Paulus' tijd deden aan sport, wetenschap, politiek e.d. terwijl zij de verachte handarbeid overlie-
ten aan hun slaven. Niettemin noemt Paulus juist dit werk „dienst aan Christus" en vermaant hij de slaven: „al wat gij doet, doet dat van harte als voor de Heere en niet de mensen; wetend dat gij van de Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis, want gij dient de Heere Christus." En de „bazen" horen: , , gij heren, doet uw dienstknechten recht en gelijk, wetend dat ook gij een Heere hebt in de hemelen". Met deze vermaningen wordt het fundament van elke slavernij aangetast. Niet alléén in Paulus' tijd, maar ook nu in 19C4!
J. Calvijn, Institutie Bk. IV Hfdst. III par. 11.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1964
Daniel | 16 Pagina's