Moderne poëzie
III
Alles wat aan het oude 'herinnert moet vernieuwd en zo zal de taal versimpelen en vermageren. De taal wordt antiek en straks blijft er nog een skelet van over. Müsschien krijgen we in de loop der jaren een stelsel van morseseinen en cijfers. Wat de beatles zingen is een uitstoten van geluiden, waarmee de mensen in de oertijd elkander iets aan het verstand trachtten te brengen. Alles wat beschaafd was en beschaafd klonk moet verdwijnen. Wat moeten we zeggen van het volgende:
Landschap
Snelle onvatbare lichamen: regens, kleuren komen uit hen. Zwerfzuohtig huizen zij nergens, waar de zon nadert, springen dwergen van vuur op; hoog kunnen zij springen, lang vallen.
Dit is de „aanhef" van een gedicht van Hans Andreus. Spreekt zo'n gedicht ons aan? Wat wil de dichter ons zeggen? Wil hij ons mee laten genieten van het schone of wil hij ons ontroeren tot in het binnenste van onze ziel?
Wij kunnen begrijpen, dat de meesten dit wartaal zullen vinden en zij al meer en meer afgestompt worden van alles wat maar gedicht heet. Alle poëzie kan van hun part gestolen worden. Dan wordt de goede poëzie meteen ook maar op straat gegooid.
Nu moeten we aan de andere kant ook weer niet zeggen dat een gedicht niets is, als we het bij de eerste lezing niet begrijpen. Er zijn gedichten die direkt aanspreken, maar er is ook poëzie geschreven, die we pas goed verstaan als we de regels gaan „ontginnen", dat is: met ons verstand en gevoel trachten door te dringen in hetgeen ons wordt gezegd. En dan kan het gebeuren dat ons een licht opgaat en we dan pas verstaan, wat ogenschijnlijk voor kinderen was geschreven. Dan zitten er hogere en diepere waarden achter, die niet anders dan door deze woorden en beelden kunnen uitgedrukt worden om een blijvende indruk te geven. Zo'n gedicht wordt uit het geheugen niet meer uitgewist.
Zo herinner ik mij een gediöht uit de kweekschooltijd. De leraar studeerde voor nederlands m.o. en moest ook aan de hoofdaktecursus les geven. Om goed voorbereid te zijn, besprak hij met de leerlingen uit de hoogste klas wat er 's avonds voor de hoofdaktekandidaten aan de orde was. Wij kregen dus betrekkelijk zware kost. Het ging over een gedicht van Boutens: „Mijn bleeke denken" uit „Verzen".
Mijn bleeke denken dwaalt tot U door diepe nachten
Als moede schapen naar haar eindelijken stal;
Zij maken wit den nacht met schemerblanke vachten.
Weidend de duistrenis van 't weligdonkre dal.
Dat was één strofe, zo zwaar geladen, dat er een uur over gepraat kon worden. Door middel van vragen wou de leraar er achter komen wat Boutens eigenlijk bedoelde en wat wij er over dachten. Want het is zó, dat we uit een goed gedicht dingen kunnen halen, die de dichter niet eens heeft vermoed. Hij is geïnspii-eerd geworden en heeft beelden gebruikt, die bij de uitwerking van het vers wijde perspektieven ontsloten. Er zijn talloze vragen te stellen om achter de „waarheid" te komen. Waarom blééke denken, waarom diepe naöhten? Wat zijn schemerblanke vachten en wat is een welig donker dal?
Door middel van deze vragen gaan wij nadenken en gaat het gedicht voor ons „leven". En dan zien we ook dat er niet één woord te veel staat en dat er geen woord verkeerd is gekozen, terwijl alles in gelijkmatige strofen is neergeschreven. Wat wij toen allemaal hebben besproken weet ik niet goed meer, maar het gedicht is blijven „hangen" in het geheugen en gevoel. Het wordt bij herlezen niet afgezaagd. Dat kan ook niet, omdat het goed is, al zouden we misschien ook niet meegaan met de gedachtegang van Boutens. Wat hij wou uitdrukken is subliem weergegeven.
Het beeld van de schapen is biezonder goed gevonden. Wij zien de afgematte die-
ren de kooi opzoeken om eindelijk te rusten na het vermoeide zwerven. De witte wol maakt de donkere nacht schemerachtig; het is alsof het lichter wordt. De kudde schijnt de duisternis af te weiden in het dal, dat welig is van de duisternis. Zo als die schapen nu, gaat het bleeke denken van de dichter tot u door diepe nachten. Direkt komt de vraag bij ons op wie die „u" is. Gemakkelijk is dat niet te beantwoorden. Wij zouden wel kunnen zeggen, dat Boutens hier God bedoelt, maar dan zou hij allicht een hoofdletter hebben gebruikt. Veeleer zouden we moeten zeggen, ook als wij de rest van het gedicht lezen, dat het hier gaat om het ontstijgen van het aardse, om boven alle zorgen en verdrietelijkheden uit te komen. De dichter wil iets hogers, iets verheveners ervaren. Hij weet bij intuïtie dat er iets moet zijn boven het aardse stof. Hij is een zoeker van het onvergankelijke, het schone en bestendige. Zijn ziel wil vertoeven in een zalige rust, om verzadigd te worden met eeuwige vrede. Dit lukt hem niet, want de laatste regels luiden:
Tot met de morgenzon haar ongetrooste blaten
Om toegang keert en sdhreit op 't dauwdoorweekte pad.
Er is veel overeenkomst met de dichter David. Deze zegt tn Psalm 61: „Van het einde des lands roep ik tot U, als mijn hart overstelpt is." Dat roepen wordt echter verhoord, want in het vervolg van het gedicht lezen wij: „Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw naam vrezen. Zo zal ik Uw naam psalmzingen in eeuwigheid, opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag."
Ik zie, dat ik van de moderne poëzie afgegleden ben naar de dichtkunst uit 1898, het jaar, waarin de bundel „Verzen" van Boutens verscheen.
Ja, zelfs nog eeuwen terug in het verleden, tot de bloeitijd van de hebreeuwse poëzie!
Maar dat is voor een keer niet zo erg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1964
Daniel | 16 Pagina's