BEROEP ALS ROEPING
Wat zegt de Reformatie?
In het vorige artikel zagen we, dat zelfs het werk van christen-slaven door de Schrift wordt gezien als „dienst aan Christus". Daarom hadden vroeger de woorden „beroep" en „roeping" dezelfde betekenis, als vertaling van het latijnse „vocatio".
Dit woord betekent in het N.T.: het door God tot een bepaalde aktiviteit geroepen zijn. Later werd dit woord echter alléén voor de geestelijke gebruikt, alléén hij had een roeping. De „leek" had daarentegen slechts een „officium" of plicht. Hij stond, in onderscheid met de geestelijke, niet rechtstreeks (ambtshalve) tot God in betrekking. De Reformatie verwierp dit gemaakte onderscheid tussen leken en geestelijken. Iedere gelovige is priester en z'n beroep, d.w.z. zijn plaats onder de mensen, is ook voor hem een roeping, deze plaats is hem door God toegewezen. Daarom sprak Calvijn over „roepingen", d.w.z. over de verschillende posities die de mensen van Godswege en om Godswil in de samenleving innemen.
God roept en doet een beroep op de mens, die deze roep als roeping aanvaardt. Wie z'n dagelijks werk als roeping aanvaardt, weet dat hij slechts werkt op gezag en in opdracht van God. Weet jij dat ook?
Verder merkte Calvijn op dat de Heere een ieder van ons gebiedt in alle levenshandelingen op zijn roeping te letten „opdat niet door onze dwaze lichtzinnigheid en ongedurige consciëntie alle dingen door elkander gemengd zouden worden, heeft God aan ieder mens zijn eigen leven en arbeid als een wachtpost en roeping des levens gegeven. Hieruit vloeit voort de uitnemende vertroosting, dat geen werk zó veracht of gering zal zijn, of (in zoverre gij daarin aan uw roeping gehoorzaam zijt) het schittert en kostbaar is in de ogen Gods" 1).
Nu begrijp je ook waarom in de Heid. Gat. onze arbeid in verband gebracht wordt met de bede „Uw wil geschiede", als we daarin belijden „opdat alzo een iegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen als de engelen in de hemelen doen". En je kunt nu ook begrijpen waarom het gebod „Gij zult niet stelen" in de Heid. Cat. wordt toegepast op ons dagelijks werk, als we belijden „dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik de nooddruftige helpen moge". En in het huwelijksformulier wordt ons dagelijks werk gezien als „uw Goddelijk beroep".
Ons beroep is dus maar niet alleen een middel om ons brood te verdienen, het is veel méér, n.1. een roeping van God. Daarom zijn de keus en uitoefening van een beroep zulke geweldig belangrijke dingen, die met Gods dienst verband (moeten) houden.
De duitse socioloog Max Weber heeft er terecht op gewezen, dat in het gereformeerd protestantisme het beroep een wijding kreeg als in geen andere geestelijke stroming, door de drang om alle krachten — tot Gods eer — op het dagelijks werk te richten én „dat alle gaven, waarin onze kracht gelegen is, panden Gods zijn, ons toevertrouwd op die voorwaarde, dat ze besteed worden ten nutte van onze naasten"^).
Verheidensing
In het latere engelse puritanisme verbasterde dit roepingsbesef helaas. Men ging ekonomiseh sukses zien als een teken van uitverkoren-zijn. Rusteloze arbeid werd een middel om zichzelf en eigen lusten in bedwang te houden én om geld te verzamelen. Werkloosheid en armoede werden gezien als zedelijke tekortkomingen. Deze verheidenste levenshouding heeft veel bijgedragen tot de bloei van het kapitalisme.
Als men z'n dagelijks werk niet langer ziet én beleeft als roeping (m.a.w. als dienst aan God en aan de naasten), dan wordt dit werk op zichzélf belangrijk, een doel in zichzelf. Dan wordt de „prestatie" belangrijk. We zien dit in de sport, in de beroepsarbeid maar ook in de kerk en in het kerkelijk jeugdwerk. De dominee wordt dan gewaardeerd naar het gehalte van zijn preek en het verenigingslid naar z'n bijdragen in diskussie en andere aktiviteiten.
Je begrijpt nu ook waarom men in onze — ontkerstende! — samenleving maar weinig waardering kan opbrengen voor hen, die geen beroepsarbeid verrichten m.a.w. niets „presteren": bejaarden, studerende jongeren, lichamelijk en geestelijk invaliden, enz.
In de sowjet-unie is deze „prestatie"gedachte tot in het waanzinnige doorgevoerd. De duitse theoloog Helmut Gollwitzer, die gedwongen enkele jaren doorbracht in russische arbeidskampen, merkte hierover op:
„de arbeid is een god, waarvan men zich alles droomt, aan wie ieder eer moet bewijzen, die men echter ook als een god probeert te bedriegen en te misleiden: men predikt hem anderen, is er edhter op uit om zichzelf te voeden met de offers waartoe men anderen opwekt, en de eigen verplichtingen te beperken tot het ritueel van
arbeidsceremoniën, tot schijnarbeid. Een arbeidsreligie, die haar door offers vetgemeste priesters en uitgezogen gelovigen heeft als geen andere"
Laten we niet vergeten dat de geestelijke vaders van deze arbeidsreligie (Marx, Engels) allen in iDesf-europa geboren en getogen zijn!!
Is er véél verschil tussen deze arbeidsreligie met haar „helden van de arbeid" en het opschrift op de toegangspoort van menig duits koncentratiekamp in de 2e W.O.: „ARBEIT MACHT FREI!" (arbeid bevrijdt!)? ? Kende de nederlandse n.s.b. niet een „arbeidsdienst"? ! En is er in ons land niet een politieke „partij van de arbeid" geheten? En hoeveel mensen zijn er in hun vrije tijd innerlijk los van de „prestatie"-gedachte?
Je ziet welke funeste gevolgen de verheidensing van het roepingsbesef met zich meebracht én meebrengt. Er is maar één uitweg uit dit doodlopende pad: terugkeer tot Hem, Die ons roept om ons werk in Zijn dienst en ten dienste van onze naaste te doen!
Evenals het bezit, is de arbeid een zegen. Maar moeten we „bezitten als niet bezittend", zo moeten én mogen we ook werken als werkten we niet; m.a.w. innerlijk los zijn van ons werk. Immers, op de komende Dag van Christus wordt alle arbeid beëindigd én herschept Hij deze oude oude wereld in de nieuwe hemel en aarde. Wij leven niét om te werken, maar om door en in ons werk Zijn Naam te verheerlijken. Anders gaat de wereld aan vlijt ten onder!
J. Calvijn, Institutie Bk. III, hfdst. X par. 6;
2) J. Calvijn, Institutie Bk. III, hfdst. VII, par. 5;
H. Gollwitzer, „En brengen waar gij niet wilt" (ned. vert.) 1959 p. 30.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1964
Daniel | 16 Pagina's