Nam ik de vleugelen des dageraads....
Wij leven in de vakantietijd.
De Universiteiten en middelbare scholen zijn al gesloten en in deze week, dat ons blad uitkomt, hebben ook vrijwel alle lagere scholen vakantie gekregen. En van de mensen, die niet meer op school zijn, heeft in deze tijd nu de één en dan de ander vakantie.
Ook onder onze jonge mensen zijn er in deze tijd velen, die er op uit trekken, sommigen in eigen land, anderen naar het buitenland.
De vakantie is een tijd, waarin veel jonge mensen op eigen wieken gaan.
En nu denk ik aan David. In diep ontzag roept hij uit: „Al nam ik van de dageraad, de vleugelen des lichts te baat; daar zoud' ook Uwe hand mij leiden. Uw rechterhand niet van mij scheiden."
David wist: Al zou ik met de stralen van de zon door de ruimte schieten, dan ben ik nog in de tegenwoordigheid Gods, want God is alom tegenwoordig. Hij is overal. Hij is nergens te ontvluchten. Meisjes en jongens, laten wij dit bedenken, ook als wij met vakantie zijn. Oj) eigen wieken gaan brengt grotere verantwoordelijkheid mee. Als wij zonder onze ouders weggaan, zien zij ons niet, en andere bekenden evenmin.
Laten wij dit echter niet vergeten: „Waar zou m' o Heer' Uw oog niet zien? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1964
Daniel | 16 Pagina's