Onze zangverenigingen
Onze zangverenigingen zijn uit nood geboren. Het kerkgezang liet veel te wensen over, omdat in slechts enkele kerkgebouwen orgelbeigeleiding was. Een goede voorzanger was veel waard, maar diens werk was erg zwaar. Al kon de voorzanger praktisch alle psalmwijzen zingen en al was zijn stem „als een klok", toch kon hij het meestal niet redden zonder dat het gezang detoneerde (het vreselijke zakken).
Bij voorbaat gaf de voorzanger wat „toegift", dat wil zeggen: hij zette het stuk te hoog in; dan was er gelegenheid om te zakken, zó, dat in de laatste regel nog iets werd gehoord. Gaf hij die toegift niet, dan was de laatste regel haast niet meer te verstaan. In sommige kerken begonnen dan enkelen het stuk maar een oktaaf hoger te nemen, wat door de rest van de zangers en zangeressen werd overgenomen.
Wij behoeven niet te vragen hoe bespottelijk en oneerbiedig zoiets was.
Meestal waren er niet veel psalmwijzen, die bij de mensen goed in het gehoor lagen. Dit had tot gevolg, dat de predikant zeer beperkt was in het uitzoeken van passende psalmen op zijn preek.
In verschillende plaatsen ging men dan ook iets aan het zingen doen. Het was hard nodig, dat er een kern in de kerk was, die de menigte kon „begeleiden". Er kwamen zangverenigingen, eigenlijk gezegd; mannenverenigingen. De mannen zouden thuis de lessen wel overdragen aan de vrouwen en kinderen.
Nu hadden die verenigingen al spoedig in de gaten, dat de zangavonden eentonig zouden worden, wanneer alsmaar een zekere psalmwijs uit den treure moest herhaald worden om er „in" te zitten. De repetitieavonden, beter gezegd de instruktieavonden, moesten wat aangenamer worden.
Gelukkig was er een uitgave van de psalmen, vierstemmig gezet voor mannenkoor, het zogenaamde stemboek. Daarin hadden we de oude benamingen, zoals tenor, altus, discant en bassus.
Er zijn uit dat boek al veel psalmen vierstemmig gezongen! Voor de zangers uit die tijd was het werkelijk mooi en er waren mannen, die vol trots zeiden, dat ze de hoge alt konden „halen". Voor een kenner was het een opeenvolging van eendere klanken, zonder de minste variatie. De melodie van de psalm werd omzongen door klanken, die pasten als een deksel van een bus. Maar dat gaf niet. Er werd goed zingen geleerd en in de kerk kon je het op de duur gaan merken, vooral wanneer er zangers begonnen om ook in de eredienst de andere stemmen te zingen. Dat was veelal voor de niet-leden van de zangvereniging iets om ontstemd over te geraken. „De zang was weer bezig", werd er afkeurend geziegd.
Na jaren mochten ook de dames van de partij zijn. Die moesten toch ook leren zingen! Het werd toen een gemengd koor. Toen langzamerhand overal orgels in de kerken kwamen, was het niet meer zó nodig om geregeld de psalmen te beoefenen. Nu was er toch begeleiding bij het psalmgezang. De begeleidende stemmen konden toen ook achterwege blijven. En dat was maar goed ook, want die klopten zelden met de stemmen uit het koraalboek van de organist.
Zo zoetjesaan kwamen nu ook andere liederen op het repertoire en werd er van lieverlee een begin gemaakt om stukken van echte componisten in te studeren. Toen kwam men er ook achter, dat de echte koorzang nog niet zo gemakkelijk is, maar ook, dat er door goede zangstukken uit te voeren iets begrepen werd van de bedoeling van de componist. Men ging de muziek „proeven".
In vroegere jaren was het nut van de zang het voornaamste, nu zou men kunnen zeggen, dat het aangename domineert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1964
Daniel | 16 Pagina's