Een bladzijde voor en van onze jeugd
Een zondag hebben we het Pinksterfeest mogen herdenken en over dit feest heb ik nog een mooi gedicht. Daar beginnen we dus mee.
DE VERWORPEN STEEN
De Pinkstermorgen is genaderd Ze zijn eendrachtiglijk bijeen, Ze zijn gelovig saamvergaderd, Vervuld met smeking en gebeên. En haastig wordt 't geluid vernomen Als van een sterk gedreven wind. Vervullend gans het huis volkomen, Waarin de schare zich bevindt. Ze zagen op zich nederdalen Verdeelde tongen als van vuur; De Heil'ge Geest kwam hen bestralen In 't Gode welbehaaglijk uur! De menigte kwam samenstromen Op 't geluid van deze stem, En is tot in de zaal gekomen. Er waren te Jeruzalem Godvruchtigen uit alle streken, Ze hoorden ook in deze zaal Van 's Heeren grote werken spreken, Een ieg'lijk in zijn eigen taal Dit deed hen twijfelmoedig vragen Elkander: Wat zal dit toch zijn? Terwijl de spotter aan kwam dragen Met 't woord: Ze zijn vol zoete wijn! Maar Petrus, door de Geest gedreven, Stond op, verhief zijn stem met kracht, En heeft 't getuigenis gegeven, Dat God thans in vervulling bracht, Wat Hij, door der profeten woorden Aan Israël had toegezegd. Dit was het, wat zij zagen, hoorden! Zo heeft hun Petrus uitgelegd:
De steen, die door de tempelbouwers Veracht'lijk was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Die steen, die velen zal verpletten, Die velen ook vermorz'len zal, Die God in Israël zou zetten Tot veler opstanding en val, Die grondsteen, door Gods welbehagen In Sion in Zijn gunst gelegd, Die 't ganse Godsgebouw zal dragen, . i Zoals Hij zelf heeft toegezegd.
Er zijn omtrent drieduizend zielen Aan de gemeente toegedaan, Die aan des Heeren voeten vielen, Zich sluitend bij de Waarheid aan. Dit werk is door Gods alvermogen , Door 's Heeren hand alleen geschied; Het is een wonder in Gods ogen, Wij zien het, maar doorgronden 't niet! Och Heer, geef thans Uw zegeningen. Och Heer, geef Heil op deze dag; Opdat men op deez' eerstelingen Een rijke oogst van voorspoed zag!
Dit pinkstergedicht is afkomstig van Dineke Louws uit Meliskerke. 't Is al twee jaar geleden, dat je het opstuurde Dineke. Wist jij het nog? Je bemerkt wel dat ik zuinig ben. Zeg, nog gefeliciteerd met je verjaardag hoor, dat was toch op 9 mei? We blijven nog even in Zeeland, onze bekende Wim Boone uit Oostburg heeft me weer iets gestuurd. Hij schreef me:
„Hoewel ik niet veel tijd heb, wil ik toch even een verhaal sturen; ik heb het niet zelf geschreven, maar letterlijk overgenomen uit een Nederlands taalboek. Maar omdat ik het zo'n mooi verhaal vind en omdat het wel een beetje past in deze woelige tijd in ons vorstenhuis, wil ik het aan u opzenden voor Daniël". Nu Wim, we zullen hopen dat de anderen het ook mooi vinden.
TROUW MOET BLIJKEN
Souvereinen zijn zeldzaam geworden. Een souverein, wier macht en aanzien geworteld is in een geschiedenis van eeuwen van lotsverbondenheid tussen vorst en volk, vindt men eigenlijk alleen in ons volk.
Nederland kent nog, Gode zij dank, die eigenaardige relatie tussen overheid en volk, welke is belichaamd door een persoon, regerend bij de gratie Gods. Het Nederlandse volk kent nog die aanhankelijkheid, die eerbied, welke men kan koesteren voor iemand, die men lief heeft. Onze natie weet nog wat het zeggen wil, trouw te zijn aan zijn koningin.
Maar die trouw moet blijken. Zij moet niet zijn een vage betuiging van sympathie. Zij behoort de heersende kracht te zijn, wanneer onze betrekking tot onze vorstin aan de orde komt. Zij moet zich manifesteren onder de moeilijkste omstandigheden, desnoods als het eigen leven er door in gevaar komt. Zij blijft bewaard, als wellicht de handelingen van Hare Majesteit niet terstond onze instemming hebben. Trouw moet blijken.
Maar die trouw moet niet alleen gevonden worden bij de onderdanen. Zij behoort ook te leven bij degene, die de kroon draagt. Trouw aan de eed, die bij aanvaarding der regering is afgelegd. Trouw aan het volk, waarover zij is geplaatst. Trouw aan Hem, de machtige Regeerder der volken, Die haar een taak heeft gegeven over dit volk.
Ook die trouw moet zich verwerkelijken onder de allermoeilijkste omstandigheden, zelfs wanneer het gaat om eigen rust en veiligheid. Van die trouw mag de souvereine niet afwijken, ook niet, wanneer een kleiner of groter deel van het volk in grove ondank zich afkeert van zijn gebiedster.
Die trouw moet blijven bestaan, indien miljoenen van haar volk weigeren te erkennen, dat de Koningin is en blijft Gods dienaresse. Trouw moet blijken.
Fijn Wim, dat je me dit stuurde, we hopen dat het drievoudig snoer: God, Nederland en Oranje nooit verbroken zal worden. Weet je wat ik zo leuk vind? Wel, dat jij onder je schoolwerk door toch aan „Daniël" denkt.
Er ligt ook nog een klein gedeelte van het opstel over Geert Groote. Dat moet nu ook mee.
GEERT GROOTE (II)
Ondanks zijn bestraffingen van de zonden van de geestelijken bleef hij toch echt rooms. Voor de meeste dwalingen der kerk had hij geen oog. Hij was bij het volk geliefd, maar bij de geestelijkheid niet. Deze keek goed uit of zij Geert Groote niet kon beschuldigen van ketterij. Dat was echter zo makkelijk niet. Wat deed hij? Hij nam altijd iemand mee, die alles opschreef wat hij zei. Zodoende konden ze hem nooit beschuldigen van iets gezegd te hebben, wat hij nooit gezegd had. Toch werd hij door de bedelmonniken aangeklaagd bij de paus. Deze verbood Geert Groote in 1383 nog verder te preken. Natuurlijk gehoorzaamde hij. Hij was toch een trouw lid van de roomse kerk! Een jaar nadat hem het prediken verboden was stierf hij aan de pest. Dat was dus in 1384. Zijn invloed op het gewone volk was groot, want hij deed nog meer dan alleen maar preken. Hij stichte bijvoorbeeld broederhuizen; daarin woonde een aantal mannen bijeen. Deze mannen maakten zich verdienstelijk met het overschrijven van stukken uit de Bijbel, die dan onder het volk verspreid werden. Geert Groote heeft door dit alles veel goeds verricht.
Gerrit Roos - Moerkapelle
Zo organist, je opstel is nu af. Nu heb ik niets meer van je. Klim je weer eens gauw in je pen?
En ten slotte,
maak ik er nog melding van dat Jaap de Bonte uit Nieuw-Beijerland me nog een nieuwe abonnee voor „Daniël" opgaf. Hartelijk dank, Jaap. t.z.t. krijg je je beloning. Jongelui, ik heb op 't ogenblik nog zo veel gedichten, dat je voorlopig geen nieuwe moet opsturen. Om opstellen zit ik altijd verlegen. Dus geen gedichten meer, maar wel opstellen en nieuwe abonnees. Afgesproken! Tot D.V. de volgende keer.
C. de Bode - Pr. Bernhardlaan 27 - Dirksland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 mei 1964
Daniel | 8 Pagina's