Moderne poëzie
i
„Wilt u ook eens een keertje schrijven over moderne poëzie? " Deze vraag is alleszins verklaarbaar. Onze jongens en meisjes bij het middelbaar onderwijs komen met die poëzie geregeld in aanraking en ze weten niet goed hoe ze het hebben. Het kan ook gebeuren, dat ze alles verstaan, omdat niet-verstaan ervan een teken zou zijn van min of meer achterlijkheid op het gebied van de kuituur en dat wil men ook niet. Daarom doen velen maar of ze heel goed thuis zijn in de moderne kunst. De critici moeten we op hun woord geloven, want dat zijn de mensen, die een enorme kijk hebben op alle kunstvoortbrengselen.
De vraag beantwoorden door middel van een gedegen artikel is heel moeilijk. Wij moeten de moderne kunst zien in het raam van onze tijd. Deze tijd kenmerkt zich, op alle gebied, door het loslaten van vele verkregen waarden. Velen willen anders doen dan gebruikelijk was. Het geeft niet meer welke kleding je draagt en hoe je er uitziet. Het onberispelijk gekamde haar moet nu een verwarde haardos zijn, zodat het lijkt of de persoon in kwestie pas uit bed komt. De muziek moet het oor niet meer strelen of ons ontroeren, maar het moet schetterend en onwelluidend zijn wat ten gehore wordt gebracht. Alle muziekinstrumenten moeten door elkaar heen schreeuwen en krijsen en jammeren, zodat het schijnt dat we langs de stalletjes van marktkooplui lopen. Die blikke muziek moet vol zitten van schrijnende dissonanten, om alle orde en regelmaat toch maar te doorbreken.
Op het gebied van de beeldende kunst zien we hetzelfde verschijnsel. Het kan voorkomen dat men niet weet hoe een schilderstuk bekeken moet worden: heb ik het nu goed vóór me of houd ik het op z'n kop?
En nu op het gebied van de poëzie. Ook daar worden alle wetten genegeerd. Als de muziek zo onmuzikaal is geworden, hoe zouden we dan nog over woordmuzikaliteit spreken! Er is geen sprake meer van klankrijkdom en ieder moet maar zien dat hij het begrijpt. Daarom ook geen leestekens meer en hoofdletters. Het zijn puzzels geworden en laten we dan nog maar zwijgen over de inhoud.
Het is wonderlijk, dat op het gebied van het verkeer alle mogelijke hulpmiddelen worden aangewend, om de vele ongevallen op de weg drastisch te beperken. Op de snelwegen zien we grote borden om de bestuurders van auto's te behoeden voor verkeerde paden. Recht op het doel moet gestuurd worden. Met strepen en lichten en borden wil men alles zó regelen, dat het verkeer perfekt zal verlopen. Waarom dan niet bij de poëzie? Waarom geen punten en komma's en andere tekens om het geschrevene ietwat te verduidelijken? Wij zijn toch allemaal geen dichters en snappen toch niet alles direkt? Iedereen kan niet elk stuk ineens „van 't blad'' spelen, zo kan ieder mens niet aanstonds aanvoelen wat wordt bedoeld. De schrijvers kunnen de lezers toch wel een beetje wegwijs maken?
Ik sla een willekeurig gedicht van zo'n „vijftiger" op. Het is van Gerrit Kouwenaar uit „Achter een woord". Wij lezen daar:
Gewoon
Ik ben gewoon in vel kinderen blazen de kikker op ik huis in een huis het is middag het wordt avond
het wordt aards en langzaam uit de warme buik rolt het buiten de wollen regen ik wil aarzelen en zo klein worden als mijn biologisch hart.
Ik zet de punt maar. Eigenlijk is het gedicht(? ) nog niet uit, maar ik ben het zat. Op zo'n manier is er straks niemand meer die om poëzie geeft. Het is al een onbeduidend percentage van de bevolking, dat zich voor poëzie interesseert, maar als het hierboven geciteerde wordt voorgeschoteld, dan is het niet moeilijk te voorspellen, dat in korte tijd alle liefde voor de schone letteren is verdwenen. Laten we een strofe lezen van een gedicht uit „Stemmen" van P. C. Boutens:
Hoe laat is 't aan den tijd? Het is de blanke dageraad: De diepe wei waar nog geen maaier gaat, Staat van bedauwde bloemen wit en geel; De zilvren stroom leidt als een zuivre straat Weg in het nevellicht azuur; En morgens zingend hart, de leeuwerik, slaat Uit zijn verdwaasde keel Wijsheid die geen betracht en elk verstaat, Vreugd zonder maat, Vreugd zonder duur.... Hoe laat is 't aan den tijd? 't Is liefdes uur.
Moeten we nu alles wat we onbegrijpelijk vinden bestempelen met onzin? Zeker niet, maar we bemerken wel een groot verschil tussen de twee aangehaalde strofen en we mogen toch wel veronderstellen, dat het gedeelte van Boutens ons in ieder geval iets zegt, terwijl hetgeen van Kouwenaar werd geciteerd boven onze pet gaat. Een volgende keer meer hierover.
M. Nijsse.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1964
Daniel | 8 Pagina's