David Brainerd
Indianen aan het heilig Avondmaal
Als er een zendeling is geweest, die Gods hulp elk ogenblik van node had, dan is het zeker wel David Brainerd geweest. „Bid zonder ophouden" heeft hij als geen ander in praktijk gebracht. Hij stortte zijn hart elke keer opnieuw uit voor Hem, Die alle macht bezit in hemel en op aarde. Daar alleen kon hij terecht. Wie zou hem anders hebben kunnen bijstaan in zijn gewichtig en moeizaam werk?
Op zekere dag was hij bezig om gebeden in de taal van de Indianen te Delaware over te zetten. Zijn tolk was helemaal onkundig in dat werk. Hij moest het alleen doen. Maar onder die arbeid mocht hij de bijstand van de Heere ondervinden. God ondersteunde en vertroostte hem. En dat dreef hem temeer uit tot het gebed. De arme Indianen lagen hem nauw aan het hart. De bekering van die ruwe mensen scheen onmogelijk te zijn, maar Brainerd kreeg te zien, dat bij God alle dingen mogelijk zijn.
Het geloof van de zendeling werd zeer gesterkt, toen hij bepaald werd bij het werk van Nehemia en Ezra. Deze mensen brachten een reformatie onder hun volk en zij richtten de oude kerk weer op. Zij deden dat niet in eigen kracht, maar zij gevoelden zich geroepen om dat schier onmogelijke werk te verrichten.
Als Brainerd zag op deze twee reformatoren onder de Joden, dan werd hij aangedreven om in het gebed te volharden. Het heerlijke werk van de bekering van de Indianen kon door niets worden belet. Dat mocht hij vast geloven. En hij wist ook, dat het niet ging om eigen eer, maar dat het alleen was de eer van de levende God. die hij op het oog had. Dc Heere zou het werk der bekering schenken ter oorzaak van de eer Zijns Naams.
En zie nu eens na verloop van tijd! In Brainerds dagboek lezen we:
„Op des Heeren-dag, de 13de van juli, predikte ik over het Brood des levens uit Joh. 6 : 35. De Heere ondersteunde mij in mijn redevoering op een bijzondere wijze. En daar ontdekte zich een tedere aandoening in de vergadering, onder de verhandeling van de Goddelijke Waarheden; ook werd mijn ziel zeer verkwikt. Ik bediende des Heeren Avondmaal aan een en dertig van de Indianen.
God was tegenwoordig. De communicanten waren zeer bewogen en verkwikt, tenminste de meesten van hen.
Ach, hoe smolten ze weg, toen de tekenen bloot gesteld werden! Er was nauwelijks een onder hen, die niet in tranen wegsmolt, wanneer ik het tafellaken afnam en hen de tekenen van Christus' gebroken Lichaam en vergoten Bloed vertoonde.
Nadat ik een weinig na de bediening van het sacrament had gerust, bezocht ik de communicanten en vond hen over het algemeen in een liefelijke gestalte, niet ongelijk aan hetgeen dat gezien was bij de voorgaande gelegenheid van het Nachtmaal op de 27e april.
's Namiddags predikte ik over het komen tot Christus. Over de verzadiging van hen, die tot Hem komen. Deze zullen geenszins hongeren noch dorsten, uit de tekst van 's morgens. Het was een verkwikkelijke tijd, een tijd van grote tederheid, aandoening en verruiming in de dienst van God. En ik ben verzekerd, dat de Heere onze bijeenkomst kroonde met Zijn goddelijke Tegenwoordigheid. Ik keerde, zeer vermoeid, maar nochtans mij verheugende over Gods goedertierenheid, weer naar mijn huis.
Op maandag, de 14de van juli, ging ik weer naar mijn volk en preekte voor hen uit Psalm 119 : 106 „Ik heb gezworen en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid." Ik merkte aan dat al Gods rechten of geboden rechtvaardig of gerechtvaardigd waren. Gods volk had gezworen deze te onderhouden. Dat deden zij inzonderheid aan de Tafel des Heeren.
Er ontstond een krachtige goddelijke indruk op de vergadering en een zeer grote aandoening onder de verkondiging van het Woord.
Vervolgens zette ik ze aan om het Verbond met God te vernieuwen, zoals ik op maandag de 30e april had gedaan. Zij moesten waken over zichzelf en over elkander, opdat ze niet in de zonde zouden vallen. Daardoor zou de Naam van Christus worden onteerd.
Deze verhandeling werd met grote plechtigheid aangehoord. God scheen Zijn goedkeuring daar op te geven, door hen tot vrees en achterdocht over zichzelf op te wekken, opdat zij niet tegen Hem mochten zondigen.
Dus was Gods tegenwoordigheid onder ons bij het sluiten van deze sacramentele plechtigheid."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 april 1964
Daniel | 8 Pagina's