Woord en wereld
12
Leesbare brieven van Christus
We kennen allen de, vaak onbarmhartige, kritiek van buitenstaanden op het gedrag van kerkmensen: , , 't ja hij kan t mooi zeggen, maar je moet niet naar z'n leven kijken", „de grootste schurken zitten voor in de kerk", enz. enz.
Paulus schrijft aan de gemeente te Korinthe „gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen door alle mensen, als die openbaar zijt geworden dat gij een brief van Christus zijt".
Het doorgeven van het Evangelie aan buitenstaanden is dus niet alléén een zaak van woorden, maar ook van daden. Woord en daad moeten elkaar ondersteunen, en niet met elkaar vloeken.
Petrus vermaant de met heidense mannen gehuwde, gelovige, vrouwen: „zijt uw eigen mannen onderdanig, opdat ook zo enigen aan het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden, als zij zullen ingezien hebben uw kuise wandel in vreze".
„Zonder woord" en... . toch leesbare brieven van Christus aan hun onboetvaardige mannen! Géén echtscheiding, géén revolutie, maar vóórleven van het Evangelie! Uit „uw kuise wandel in vreze" blijkt dat het Evangelie méér is dan een levensbeschouwing, het verandert mensenlevens, het is de moeite waard er in te geloven!
De ambtsdrager in de gemeente „moet ook een goed getuigenis hebben van degenen die buiten zijn (de buitenstaanden), opdat hij niet valle in smaadheid en in de strik des duivels". De gemeente en haar ambtsdragers wonen in „een glazen huis", waarbij de Naam van Christus in deze wereld op het spel staat! Beseffen we dat?
Hoe komt het dat de werfkracht der kerk op buitenstaanden zo gering is? Zou het niet hierdoor komen dat ons leven praktisch maar weinig verschilt van dat der buitenstaanden? Zijn de bevrijdende krachten van het Evangelie in ons leven voor hén zichtbaar? Of.... moeten zij zeggen „hij gaat 2 x per zondag naar de kerk en wij niet; verder is er geen verschil, het evangelie heeft dus ook maar weinig te betekenen!".?
En we staan onmiddellijk klaar om te zeggen „maar de mens is geneigd tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed". Maar deze belijdenis was voor de opstellers der H.C. geen kalmeringsmiddel, maar een.... noodkreet! Dezelfde noodkreet, die Paulus op het zendingsveld uitte: „ik, ellendig mens!" Dit is niet het laatste woord der Schrift. Want Christus heeft op Golgotha de zonde eens en voorgoed overwonnen, en nü is in Hem de overwinning van de zondeschuld voor verlorenen!
Of.. . . vergist de Schrift zich als zij getuigt „wie in Christus is, is een nieuwe schepping, het oude is voorbijgegaan, zie! het is alles nieuw geworden"? ? Ja, ook dat lastige karakter, dat prikkelbare humeur, die eerzucht enz. moeten én kunnen veranderd worden. Paulus zegt niet voor niets „ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft."
Gods genade is machtiger dan de zonde, de zonde heeft niet het laatste woord! „Wie in Mij blijft, die draagt veel vrucht". De vrucht van de Geest is „liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid". Het humanisme wil de mens, die volgens haar absoluut niet „goed" is, óók verbeteren. Maar het bereikt een punt, waarop het moet zeggen „verder kunnen wij mensen het niet brengen". Dat is de armoede van het humanisme, van elke zelfverbeteringspoging zónder Christus! Ze kan de zonde in het leven niet overwinnen. Dat kan alléén als we door het geloof met Hem verbonden zijn Die „ons reinigt van alle ongerechtigheid".
Wetsnaleving zónder Christus
De H.C. noemt onder meer als doel van de goede werken „dat door onze Godzalige wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden".
Het gaat hier niet om een krampachtig leven van „raak niet, smaak niet en roer niet aan" maar „een lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven". Naleving van de wet uit dankbaarheid voor de, persoonlijk ervaren, verlossing door Jezus Christus.
Nu zijn er velen, in en buiten cle kerk, die de Wet willen naleven zónder in de Wetsvervuller te geloven. Wat een arme en trieste dienst!!
Want Hij heeft gezegd „Mijn juk is zacht en Mijn last is licht". En, o wee! als we dit juk en deze last zónder Christus willen dragen. Dit is een geraffineerd verzet tegen Hem en.... het stoot buitenstaanden af van: de Weg, de Waarheid en het Leven.
Ik eindig dit keer met uw aandacht te vestigen op hetgeen Boston in dit verband schreef:
„Indien de Wet zonder het Evangelie tot ons gekomen was, zoo zouden wij nog eenige gewaande verontschuldigingen gehad kunnen hebben, wegens het niet doen van hetgeen ons geboden wordt, hoewel niet zoo krachtig dat die daardoor vernietigd zou worden, gelijk in het geval der Heidenen, Rom. II : 12. Maar nademaal het Evangelie met de geboden der wet die gehoorzaamheid vorderende, insgelijks tot ons gekomen is, dat ons vertoont hoe wij in staat gesteld kunnen worden om dezelve behagelijk te volbrengen, en die bekwaamheid in Christus Jezus ons aanbiedt, zoo zijn wij in die zaak niet te verschoonen. Het voorwendsel van den god-
deloozen en luien dienstknecht is verworpen, en hij werd niet alleen veroordeeld omdat hij geen gehoorzaamheid had getoond, maar ook omdat hij de genade en sterkte, die hem aangeboden was om hem daartoe bekwaam te maken, geweigerd had. Derhalve, laat ons deze belofte van het Evangelie-verbond vastelijk gelooven, opdat wij de geboden der wet mogen gehoorzamen. Want alwaar geen hoop is om hetgeen vereischt wordt behagelijk te volbrengen, daar kunnen ook geen ordentelijke pogingen naar hetzelve wezen. Indien het hart in die zaak hopeloos is, zoo zullen de handen zekerlijk neerhangen; en zal noodzakelijk het gevolg wezen of een gansohe nalating van den plicht, of anders een zeer flauw volbrengen ervan, wat God mishaagt. Maar het geloof van deze belofte zal het deksel der luiheid weg doen, tot alle goede werken aanmoedigen, en genade en sterkte tot alle heilige gehoorzaamheid toebrengen.
Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleesehes en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods, 2 Cor. VII : 1 .
Nademaal God het gebod der heiligmaking aan de kerk niet gegeven heeft om te gehoorzamen, zonder de belofte der heiligmaking te gelooven; maar Hij die gezegd heeft: „Wascht u, reinigt u", heeft ook gezegd: „Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden". Zoo heeft geen mensch eenigen grond om zich in te 'beelden, dat hij zelfs ook maar tracht om zich naar het ware oogmerk van het gebod der heiligmaking te schikken, die de belofte der heiligmaking niet eerst gelooft en omhelst, maar aan het werk valt, met de salpeter en zeep van zijn eigen ongeloovige betrachtingen, om zichzelven schoon te wasschen. Zoodanig een verstaat verkeerd de ware meening en beteekenis van het gebod der heiligmaking, zoals het in zijn Bijbel staat, en dat wel zoo ver, als het gebod van een bescheiden meester door een simpel dienstknecht verkeerd zou begrepen worden, die, als hem belast werd een stuk lands te gaan omspitten, niet eens naar een spade, houwsel of eenig ander werktuig, bekwaam om er mee te spitten, omzag"
Thomas Boston „Een beschouwing van het Verbond der Genade" Rotterdam 1931 p. 197.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1964
Daniel | 8 Pagina's