David Brainerd
Zwak en toch machtig
Terecht mocht Brainerd wel onder zijn brief zetten: „De hoeken van Delaware", zoals we vorige keer hebben gezien. De onbekende woestijn maakte de zendeling zwaarmoedig en mistroostig. Op zondag probeerde hij het volk bij elkaar te brengen om aan hen de evangelieboodschap te verkondigen. Het leek wel of het geen zondag was. De kinderen waren aan het spelen en Brainerd voelde zich een vreemdeling in een vreemd land. De Indianen waren in dit gebied erg verstrooid. De zendeling had het gevoel alsof hij een schepsel was, dat God van voor Zijn aangezicht had verbannen.
Zou hij al het werk maar opgeven en terugkeren naar de bewoonde wereld? Niets was gemakkelijker dan dat, maar Brainerd moest ondervinden dat we door vele verdrukkingen moeten ingaan. De gedachte aan dat ingaan gaf hem troost. De tijd zou spoedig daar zijn, dat hij voorgoed van zijn benauwdheden zou worden verlost. Hij zou blijven waar de Heere hem had geroepen en Hem volgen door gebaande en ongebaande wegen, zoals het een oprecht christen betaamt.
Een mijl of drie vier reed hij verder en kwam bij een nederzetting van Ieren. Onder deze mensen ontmoette hij enkelen, die met aandacht luisterden en die niet onverschillig waren omtrent de godsdienst. Hij kon zijn woorden kwijt en dat is al heel groot. Het gaf hem moed om nu ook de Indianen te bezoeken. Toen het avond was, kon de zendeling eerlijk getuigen, dat hij op zijn God mocht steunen, wat er ook zou gebeuren. Hij had maar te zaaien en God zou voor de wasdom zorgen. Tevergeefs is het Woord nooit, want Het zal doen wat de Heere behaagt.
Een week nadien sprak hij tweemaal voor de Indianen en hij mocht dat vrijmoedig doen. Bij de Roodhuiden waren veel vooroordelen tegen de christenen. Geen wonder, want vele zich noemende christenen leefden als heidenen. Het was zeer moeilijk voor Brainerd om die vooroordelen weg te nemen. Maar God gaf hem wijsheid en opening in het Woord. Onder de Ieren waren verscheidene mensen, die uitzagen naar onderrichting, want hun zielen waren bekommerd over hun staat buiten God. Hier kon de zendeling een woord op zijn tijd spreken. Hij moest de Heere wel danken voor de ondersteuning, die hij in die ogenblikken zo nodig had en die hij mocht ondervinden.
Als het zaterdagavond was zag hij zijn onwaardigheid en onbekwaamheid zó diep, dat hij bedroefd en bevreesd de nacht inging. Maar dan mocht hij ook ondervinden, dat God de Zijnen niet verlaat en het hart nabij is, dat schreiend tot Hem vlucht. Dan kwam er grote stilte in zijn hart en verheugde hij zich in de onveranderlijkheid en getrouwheid des Heeren. Dan mocht hij overnachten in de Schuilplaats des Almachtigen.
Op een zondag zag hij dat de Indianen iemand begroeven. Wat werd hij ontroerd bij het zien van de heidense gebruiken! Wat leefde dat volk toch in de duisternis! Dan werd de bekering van de arme Indianen zó op zijn hart gebonden, dat hij niet meer zwijgen kon. Hij móest spreken omdat de liefde van Christus hem drong.
Later kwamen al meerderen naar zijn prediking luisteren en hij zag tot zijn onbeschrijfelijke vreugde, dat de meesten zeer aandachtig naar zijn woorden hoorden.
Ook preekte hij van tijd tot tijd onder de blanken. Toen hij sprak over Hebr. 2 : 3 „Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? " ging het met veel vrijmoedigheid en kracht gepaard. Veel mensen waren diep onder de indruk en werden verslagen van geest. Onder die „geraakten" was ook iemand, die in de roomse godsdienst was opgevoed. O, wat kon Brainerd de Heere danken voor elk bewijs van bijstand! Dan was hij weer helemaal opgemonterd. Dan kon hij schrijven in zijn dagboek van
25 juni 1744: „Op maandag, de 25ste van juni, was ik in wat betere gezondheid als ik sedert enige tijd geweest was en kon een groot deel van de dag in het gebed en naarstig studeren besteden. Ik genoot meer ruimte en vurigheid in het gebed als ik sedert enige tijd gewoon was. Ik verlangde inzonderheid naar Gods tegenwoordigheid bij mij in mijn werk en dat de arme heidenen bekeerd mochten worden. In het avondgebed werden mijn geloof en hoop op God zeer gesterkt en opgewekt.
Voor het oog van de reden schijnen alle dingen ten aanzien van de bekering der heidenen zo donker als middernacht. Nochtans kan ik niet anders dan op God vertrouwen, dat Hij wat heerlijks onder hen zal werken. Mijn ziel verlangde zeer naar de komst van Gods Koninkrijk op aarde. Ik was zeer bevreesd voor enige ijdele gedachten, waardoor ik het gevoel van Goddelijke dingen, dat ik toen had, verliezen zou.
O, dat ik bijblijvende hemelse gesteldheid mocht ontvangen!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 april 1964
Daniel | 8 Pagina's