HIJ DROEG ONZE SMERTEN
't En zijn de Joden niet, Heer Jezu! die U kruisten, noch die verraderlijk U togen voor 't gericht, noch die versmadelijk U spogen in 't gezicht, noch die U knevelden, en stieten U vol puisten.
't en zijn de krijgslui niet, die met hun felle vuisten de rietstok hebben of de hamer opgelicht, of het vervloekte hout op Golgotha gesticht, of over Uwe rok t' saam dobbelden en tuisten.
Ik ben 't, o Heer, ik ben 't, die U dit heb gedaan, ik ben de zware boom, die U had overlaan, ik ben de taaie streng, daarmee Gij waart gebonden,
de nagel en de speer, de gesel, die U sloeg, de bloedbedropen kroon, die Uwe schedel droeg: want dit is al geschied, helaas! om mijne zonden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1964
Daniel | 8 Pagina's