Verzekeren.
Een lezer uit Berkenwoude schrijft:
„De briefschrijver uit Vlissingen schrijft in „Daniël" van 31 januari: „Dat verzekering in strijd is met Gods Voorzienigheid is mij niet recht duidelijk, ja ik geloof zelfs het tegendeel." Met deze uitspraak ben ik het niet eens. Ik geloof terdege, dat verzekeren in strijd is met de Voorzienigheid Gods. Want de Heere zegt in Zijn Woord: „Ken Mij in al uw wegen, " d.w.z. Hem niet alleen kennen in wegen van voorspoed, maar ook in tegenspoed. Als nu deze tekst op de bodem van het hart leeft, dan zal men niet verzekering te hulp roepen, maar Hem je noden bekend maken. Want dan zal ook in deze het „Bid en werk" van kracht blijven. Niet een ander voor je laten ploegen, maar zelf de hand aan de ploeg en biddend je werk doen.
Ook schrijft Vlissingen, dat wij Gods Woord moeten laten spreken als wij iets onderzoeken. Hij vestigt dan de aandacht op Rom. 14 : 23b: En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde." Nu wil ik hem vragen, of zich verzekeren een geloofsdaad is? Ik geloof van niet, daar het geloof zich richt op God en niet op de wereld met alles wat zij heeft en geeft.
Ook schrijft onze vriend, dat de overheid noodgedwongen de taak der kerk heeft moeten overnemen. M.i. heeft de overheid niet alleen rechten, maar ook plichten ten opzichte van haar onderdanen. En dat er nu zijn die vanwege hun gering inkomen geen belasting betalen, zie ik niet anders als een plicht en niet als noodgedwongen de taak der kerk overnemen."
Hier een schrijven uit Utrecht van de volgende inhoud: „Onze vriend uit Nunspeet stelt, (zie „Daniël" van 28 febr.) dat de moderne mens erop vertrouwt, dat de verklede Fatum zich wel koest zal houden, als hij zijn premie maar getrouw betaalt.
Ik zou willen opmerken, dat het heidense fatalisme het Fatum ziet als een kracht zonder bewustzijn of wil, die het lot van mens en wereld onvoorwaardelijk en onafwendbaar bepaalt. Men kan zich dan maar het beste naar deze kracht en wil voegen, want „het moest zo zijn."
Zien vele kerkmensen, die tegen de verzekering zijn, God ook niet als een „kracht, " die het lot van mens en wereld onvoorwaardelijk en onafwendbaar bepaalt, waarbij geen plaats is voor enige verantwoordelijkheid van de mens. Er is dan ook geen plaats meer voor het geloof, dat door de liefde werkt; wel een mime plaats voor de individualistische levensbeschouwing van het liberalisme, met z'n stelregel: „ieder voor zichzelf en God voor ons allen!"
Dit waren twee reakties op reeds geplaatste brieven. Nu volgen er weer nieuwe.
Een lezer uit Rotterdam stelt, dat in de Staat der Rechtheid volmaakte zekerheid heerste, maar in de Zondeval ontviel de mens z'n zekerheid: „Ik hoorde Uw stem in de hof en ik vreesde." Vanaf dat ogenblik volkomen angst, onrust, wantrouwen, onzekerheid. In gedachten, woorden en werken is hij de grond onder zijn voeten kwijt. „Ik wil zekerheid, " met deze gedachte bezield is hij uit de hof verdreven. Hoe rijper de zonde, hoe rijper deze gedachte wordt. Als u (de Zoetermeerder, Gesprl.) stelt, dat Gods kinderen aan verzekeringen deelnemen, laat dat niet zien dat wij verzekeren mogen, maar de staat der ware Christenen in haar laagste stand, n.1. zwak van geloof, klein van vertrouwen op God. Zie dat in koning Asa (2 Kon. 16).
Er is geen onderscheid tussen materiële
en financiële voorzorgsmaatregelen. De voorbeelden die u stelt, gaan mank aan grove eenzijdigheid. De Heere gebiedt Zijn volk Israël een hekwerk op het dak van hun huis te maken (Deut. 22 vrs. 8). Het zou dwaasheid zijn dat niet te doen. Zo is het ook met onze dijken. Het gaat om ons vertrouwen! Verzekeren houdt in: maatregelen nemen om zaken en gevolgen te voorkomen en in dat voorzien ons vertrouwen te stellen, dus buiten God. Daarmede zijn wij atheïst. Wij kunnen in Gods Woord nergens enige ruimte vinden om de beginselen van het verzekeringswezen te verdedigen. Daarbij hebben wij grote achting voor onze oud vaders, b.v. v. d. Kemp: Zondag 10; Smytegelt: Zondag 10; W. a Brakel: Red. Godsdienst, hoofdstuk over Gods Voorzienigheid, alsmede Ds. Kersten in zijn Dogmatiek; Elisa Coles in zijn praktikale verhandeling van Gods souvereiniteit en vele anderen.
Onze schuld is, dat wij steeds meer afwijken van de praktijk van onze leer. Leer en leven, belijdenis en beleven wijkt schrikkelijk af. Maar u gaat nog een stapje verder, en tast ook de leer aan. U hebt het over God verzoeken, maar God wordt niet verzocht en Hijzelf verzoekt niemand. Maar wij worden door onze eigen begeerlijkheden afgetrokken van de rechte wegen des Heeren."
Een abonnee uit Wolfaartsdijk heeft de volgende gedachten: Hij gelooft niet, dat er onderscheid is tussen materiële en financiële voorzorgsmaatregelen. „Verhogen en verzwaren van dijken is niet zondig, tenminste als wij er ons niet zo veilig achter gevoelen dat ons niets meer gebeuren kan of dat wij een radikale overwinning op de zee zouden hebben behaald. God heeft zelf scheiding gemaakt tussen water en land. Anders staat het met b.v. het hamsteren om zich te wapenen tegen een misschien komende dure tijd. Jozef bouwde de korenschuren, doch dat was op Gods bekendmaking door middel van farao's droom. Dat was dan ook niet gericht op zichzelf, zoals bij verzekeren, maar om een geheel volk in het leven te behouden. Met het verzekeren ligt het anders. Geld is een betaalmiddel om in onze levensbehoeften te kunnen voorzien. Nu kunnen we verzekeren maar moeilijk een levensbehoefte noemen, daar we met verzekeren vooruit lopen op de dingen, welke ons misschien treffen, doch misschien ook niet, terwijl het bij het verzekeren altijd om onszelf gaat al beredeneren we het misschien ook anders. Ik vroeg eens aan iemand: Zou u zich ook verzekeren als u wist, dat u niets overkwam? Neen, zei hij, en toch meende hij het ook voor een ander te doen. Ook zei eens iemand tegen me: Voor ziekenhuisverpleging ben ik verzekerd, want ik wil de ziekenhuizen helpen steunen. Doch dit is een verkeerde gedachte, daar we daardoor niet de ziekenhuizen, maar de ziekenfondsen steunen en ons zodanig trachten te dekken. Terwijl God in Zijn Woord gezegd heeft tot Zijn volk, dat ze nooit om zullen komen in dure tijd of hongersnood. Dus eigenlijk is het een werelds systeem, een steunpilaar buiten God om, een systeem van zelfhandhaving, m.a.w. als God nu maar voor de eeuwige belangen zorgt, zullen wij het wel voor de tijdelijke doen. We mogen met verzekeren een soort van naastenliefde willen betonen, doch daar is veel, zo niet alles, eigenliefde in."
Een vriend uit Doetinehem schrijft: „U (de Zoetermeerder) brengt 2 zaken naar voren n.1. materiële en financiële voorzorgsmaatregelen. We vinden dit niet geheel juist gesteld en zouden het liever als volgt willen stellen: zorgen en overbezorgd zijn. We mogen en moeten op grond van Gods Woord zorgen b.v.: wintervoorraden aanleggen, veiligheidsmaatregelen nemen in fabrieken en op bouwwerken, dijken aanleggen of verhogen, opvoeden der kinderen, sparen enz. enz.
We gaan de grens over als we overbezorgd zijn voor iets wat wel of niet kan gebeuren, (financiëel en materiëel) b.v. Het land verlaten voor een mogelijke oorlog of honger (Elimelech), verzekeringen afsluiten voor mogelijke ongelukken of ziekten met gevolgen voor
zichzelf of anderen, een zich veilig stellen voor alles wat er ook maar gebeuren kan en alzo zich niet hoeft te bezuinigen of eventueel ten laatste zich moet wenden tot de door God ingestelde diaconie. Dit is overbezorgcl zijn en naar mijn mening in strijd met wat Christus zelf ons komt te gebieden in Matth. 6 vrs. 6 : 24 v.v. en met Art. 13 N.G.B. en zondag 10.
Ons zorgen moet staan in het teken van aan-en afhankelijk leven van onze Schepper! En ons overbezorgd zijn is in strijd met Gods Voorzienigheid en twijfel aan Gods almacht en trouw. Hoe moeilijk dit ook zal zijn wanneer het doorleefd zal moeten worden. Mocht het ons dan maar leiden tot verootmoediging en ons brengen voor 's Heeren aangezicht en een zich stellen onder Zijn hoede, 't Zal in ons leven altijd een worsteling blijven om de lijn te trekken tussen zorgen en overbezorgd zijn, maar bij alles wat we gaan doen betaamt het ons, om biddende de vraag te stellen: „Heere, wat wilt Gij, dat wij doen zullen? "
Alle medewerkers zeer veel dank voor hun brieven. Enkele moesten wachten tot D.V. een volgende keer.
Gesprekleider
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1964
Daniel | 8 Pagina's