Een bladzijde voor en van onze jeugd
We beginnen dit keer met het vervolg van
Hoe men geven moet (II)
Eén, met zijne pen gewapend, Die zijn plaats aan tafel nam, Zou nauwkeurig opnoteren Elke gave die er kwam. Ieder lei zijn gave neer, Gaf vrijwillig en blijmoedig d' Ene minder, d' and're meer. d' Allerrijkste van hen allen, Eén der oudsten die er zijn Geeft een enkel zilverstukje Ene gift, gering en klein. Die 't voorzitterschap bekleedde Sprak: „Neem weg wat gij daar biedt, Want gij geeft wel ene gave, Maar naar uw vermogen niet." d' Oude, rijke neger sukkeld' Weder naar zijn zitplaats heen Met het geldstuk in de ving'ren Wijl hij erg verdrietig scheen. D' een na d' ander zag hij komen, Gaf op ieders gave acht En bevond ze alle groter, Dan de zijne, die hij bracht. Weder spoedde hij naar de tafel, Nam een goudstuk uit de zak. Lei dat neer voor aller ogen Wijl hij daarbij luide sprak: „Daar — neem deze offergave, 'k Sta die voor de zending af". Schoon 't gelaat het zichtbaar toonde, Dat hij 't niet blijmoedig gaf. En opnieuw moet hij het horen; „Nog neemt men uw gift niet aan, Aan 't besluit door ons gegeven Is nog niet door u voldaan. Ja, gij hebt nu wel gegeven En na uw vermogen licht, Maar ge gaaft nog niet blijmoedig, Niet uit liefde, maar uit plicht." (Wordt vervolgd)
En dan krijgt nu Mien Slabbekoorn weer het woord, want ze is nog steeds niet uitgepraat over:
Guido de Brés (III)
Op de avond van 29 september 1561 trok er een optocht door de straten van de stad en men zong de psalmen van Marot. Guido de Brés keurde dit openlijk af; „Men moet het gevaar niet zoeken, " zei hij. De uitkomst gaf hem gelijk. Dadelijk werd een commissie naar Doornik gezonden om een onderzoek in te stellen en de daders gevangen te nemen en voorbeeldig te straffen. De Brés had vermoedelijk zijn vrouw en kinderen naar Sedan gezonden omdat hij wel voorzag welke moeilijkheden er zouden komen. Inderdaad kreeg hij de schuld van het openlijk optreden en men zocht hem gevangen te nemen; hij moest vluchten en voegde zich ten slotte bij zijn gezin in Sedan. In de zomer van 1566 vinden we hem in Antwerpen; kort daarop reisde hij naar Valenciennes. Hij preekte hier eerst onder de open hemel, maar na de beeldenstorm van 24 augustus trad hij meestal op in de St. Janskerk. Dat verdroot natuurlijk de roomse geestelijkheid, die haar inkomsten schrikbarend zag verminderen omdat de Hervorming hier zeer snel toenam. Valenciennes werd belegerd en op zondag 23 maart 1567 moest de stad zich overgeven. Onmiddellijk begonnen de arrestaties, met bevel dat de gevangenen na te zijn verhoord dadelijk moesten worden opgehangen. Vooral werd er naar De Brés en De la Grange (dit was ook een predikant) gezocht, maar deze hadden zich goed verscholen. Het gelukte hen vijf dagen later vermomd de stad te verlaten en vermoeid en hongerig kwamen ze te St. Amand aan en besloten een herberg binnen te gaan om wat te rusten. Ze waren al verscheidene uren van Valenciennes verwijderd en durfden het nu wel aan. Daar kwam een dorpeling de herberg binnen, die de vluchtelingen goed opnam en ongemerkt verdween. Hij snelde naar de burgemeester, aan wie hij vertelde, dat er vermoedelijk vluchtelingen uit Valenciennes in het dorp waren. De burgemeester greep snel in en zo werden de vluchtelingen gevangen genomen. Al spoedig bleek welk een „goede vangst" er gedaan was.
Zwaar geboeid aan handen en voeten werden de vluchtelingen op een wagen geworpen en weggevoerd naar de slachtbank der roomse kerk. Zo kwam Guido de Brés voor het laatst in Doornik aan.
Eindelijk, eindelijk, was deze „ketter" in hun handen. Aan bezoek ontbrak het deze „ketter" niet. Velen kwamen de „beruchte" gevangene „bekijken" en bespotten. Sommigen wilden disputeren en hier ging De Brés altijd gretig op in, want zelfs in de boeien geklonken bleef hij bedacht op het winnen van zielen voor het Koninkrijk van Jezus Christus.
Van Doornik werd hij vervoerd naar Valenciennes en daar in een onderaards hol geworpen. De getrouwe kruisgezant onderging echter geduldig deze vernedering. Hij schreef er zelf over: „God bewijst mij deze genade, dat ik het alles opgewekt lijd en verdraag, wanneer ik bedenk dat het is voor Jezus Christus en Zijn heilig Woord. Ik verdraag ook de boeien aan handen en voeten, verwachtende mijn Heere Jezus Christus, Die ik hoop te zien komen tot mijn verlossing, hoewel de wereld er anders over denkt." De bewaking was zeer streng. Men vreesde zijn ontvluchting
Het is zaterdag 31 mei 1567.
Grendels worden weggeschoven. Het is nog vroeg in de morgen. Monotoon klinken de woorden, waarmee hem wordt aangezegd zich voor de dood voor te bereiden. Om zes uur zal hij worden terechtgesteld. Hij is voorbereid. Hij neemt afscheid van zijn ambtsbroeder De la Grange en zijn medegevangenen. Vol goede moed spreekt hij: „Zalig zijn de doden, die in de Heere sterven; ja zegt de Geest, want zij rusten van hun arbeid. Vandaag ben ik uitgenodigd tot de bruiloft van mijn Heere, de Zoon van God." Tegen 6 uur wordt hij naar het stadhuis geleid, waar het doodvonnis voorgelezen wordt. Hij zal opgehangen worden. Het vonnis wordt nu dadelijk voltrokken. Guido de Brés zal de ladder beklimmen, maar eerst knielt hij neer om te bidden. Ruwe handen trekken hem overeind en dwingen hem de ladder op te gaan. Nog op de ladder spreekt hij het volk toe. Dan wordt hem de lus om de hals geworpen, een ruwe stoot en deze dienstknecht des Heeren is ingegaan.
Mien Slabbekoorn. Wolphaartsdijk.
Dat was een lang opstel Mien, heel hartelijk dank. Het is goed ons steeds weer te verdiepen in de kerkgeschiedenis, opdat we niet zullen vergeten. Ik hoor nog wel eens iets van je?
Dat had ik niet verwacht.
Hoe graag had ik hier nu eens geschreven dat ik een stroom van nieuwe abonnees had binnengekregen. Wat had het prettig geweest als ik aan de redactie van ons blad „Daniël" had kunnen schrijven, dat „de jeugd van acht tot zestien" in enkele weken veertig nieuwe abonnees voor hun blad gewonnen had. Helaas, het is niet zo, geen veertig, maar, en ik durf het haast niet te schrijven, slechts vier.
Ik kreeg twee briefkaarten; slechts twee van mijn vrienden reageerden op mijn verzoek nl. J. de Bonte uit Nieuw-Beijerland en Jan Wilbrink uit Apeldoorn. De eerste gaf er één en Jan gaf er drie op. Bravo jongelui, jullie zijn kerels waarop te rekenen valt.
Te zijner tijd krijgen jullie wat van me, maar nu nog niet, want ik denk zo, dat jullie nog bezig zijn met enkele anderen en hoe meer abonnees, hoe groter geschenk. Hoe zit het nu met die andere honderden jongens en meisjes; doen jullie ook nog wat? De meesten van jullie hebben straks paasvakantie, dan heb je mooi gelegenheid om aan 't werk te gaan. Heus, we moeten er allemaal wat aan doen. Ik blijf op jullie rekenen. Zorg er nu voor, dat ik, als ik na de vakantie thuis kom, de deur niet open kan krijgen omdat er een stapel briefkaarten voor ligt. Afgesproken?
En tenslotte
moet ik gaan eindigen. Wat is die bladzijde toch gauw vol. De Paasdagen liggen voor ons. Als de Heere het geeft mogen we het Opstandingsfeest gaan vieren. De Heere Jezus heeft graf en dood overwonnen en is aan velen verschenen in de veertig dagen dat Hij nog op aarde was. Zelfs na Zijn hemelvaart is Hij nog verschenen, denk maar aan Stefanus en Paulus. Nu een ernstige vraag: is Hij jullie al verschenen? Denk daar eens ernstig over na, jongelui. De Heere geve jullie en mij gezegende feestdagen.
De hartelijke groeten en tot over veertien dagen D.V.
C. DE BODE, Dirksland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 maart 1964
Daniel | 8 Pagina's