Verzekeren:
Een paar opmerkingen vooraf: Ik voel wel voor de zienswijze van de schrijver uit Wolphaartsdijk en misschien kan ik ook wel rekening houden met uw wensen, maar daar kleven ook grote bezwaren aan. U begrijpt niet half, hoe moeilijk het is.
Het voorstel van de schrijver uit Utrecht (leeftijdsgrens) kan ik zonder bespreking met het hoofdbestuur niet doorvoeren.
Iemand uit Hoofddorp meent nog even terug te moeten komen op „Daniël" d.d. ll-10-'63. Daarin schrijft een lezer uit Arnhem het niet eens te zijn met de mening van de Hoofddorper over de nieuwe berijming en vertaling. Hij schrijft: „Ik wil hier echter graag nog even opmerken, dat het niet zo is als zou ik een berijming en vertaling voorstaan gebaseerd op meningen en tradities van mensen en een volgens de grondtekst afwijs. Mijn bezwaren gingen echter tegen de sterk ingrijpende Nieuwe Vertaling en berijming (afgezien van andere bezwaren) en ik sta een meer geleidelijke berijming of vertaling voor (indien mogelijk)."
Dat is dan weer rechtgezet. Dank voor uw tips voor nieuwe onderwerpen. Nu gaan we snel over tot de orde van de dag met een brief uit Rotterdam. Hij is het niet eens met de Zoetenneerder. Assurantie, speciaal de vrijwillige, is verkeerd. Omdat het in strijd is met een kinderlijk geloof in de Voorzienigheid Gods. De verzekerde tracht zich te dekken tegen mogelijk toekomend kwaad, in strijd met wat de Heere Jezus leert in Math. 6 en in strijd met zondag 10. „Als de Zoetermeerder zich op Gods volk beroept, stel ik daar tegenover: Niet wat „Gods volk" ons zegt, maar wat Gods Woord ons zegt, dat vertoont ons 't heiligst recht. Als wij Gods volk volgen, gaan wij met Abraham liegen en met Petrus verloochenen. We moeten Gods volk slechts volgen voor zover zij Christus volgen in hun geloof, niet in hun wandel.
Er is geen onderscheid tussen materiële en financiële voorzorgsmaatregelen. Geld is ook „materie." Het verschil gaat over geoorloofde en ongeoorloofde middelen. Geoorloofde middelen zijn die middelen, die niet tegen Gods Woord en Wet ingaan. Verzekeren behoort niet tot de geoorloofde middelen daar het niet gegrond is op dat kinderlijke vertrouwen, maar daar juist van afleidt. „Al wat uit het geloof niet is, dat is zonde."
Dat de diaconie van dezelfde strekking zou zijn, gaat niet op, want die heeft een Schriftuurlijke basis. Verzekering is kansberekening. De rechte diaken mag iets laten zien van de priesterlijke barmhartigheid van Christus. De verzekering geeft alleen wat de polis aanwijst, maar de God, Die hemel en aarde schiep, helpt al degenen die Hem aanroepen en Zijn Woord staat juist vol beloften voor degenen, die niets hebben, die geen premie kunnen betalen."
Een lange brief uit Hoogeveen, die ik, evenals de vorige, noodgedwongen moet inkorten. Schrijver is tegen verzekering op grond van Gods Woord. We moeten verschil maken tussen zorgen en bezorgd zijn. Zorg is geboden, bezorgd zijn is God wantrouwen. We hebben ook te onderscheiden tussen geoorloofde (trapleuning, balkonhek enz.) en ongeoorloofde middelen, waaronder verzekeren valt. Dit is bezorgdheid, zelf gedekt zijn tegen iets, wat er niet is. (De geschiedenis in 2 Kron. 25). In Job 12 : 6 staat: Die God tergen, hebben verzekerdheden enz." d.w.z. dat degenen die zich niet aan God verbonden weten in afhankelijke zin, zich overal zelf voor veilig willen stellen.
In het N.T. wordt ons op bijna elke bladzijde voorgehouden, dat God Zijn volk niet laat omkomen in dure tijd, noch hongersnood, dat ons brood en water gewis is en dat we ook, al zouden we de gehele wereld winnen en schade lijden aan onze ziel, dat we ons aan die God mochten overgeven voor tijd en eeuwigheid. Zou God niet bij machte zijn om ons vee te bewaren, onze huizen voor brand te behoeden en ons de gezondheid te schenken? Gaat de mens niet vele musjes te boven? Matth. 6 : 25 enz. spreekt duidelijke taal. Weest niet bezorgd klinkt ons overal tegen in Gods Woord en wat is verzekeren anders dan bezorgd zijn? Als een mens van te voren wist, dat hem geen vee zou sterven, geen huis zou verbranden, zou een mens zich dan gaan verzekeren? Wees eens eerlijk, geef voor uzelf eens antwoord, wie ge ook zijt. Is Job er, ondanks zijn fouten, niet gezegend door God weer uitgekomen? Zou ik het goede van God wel en het kwade niet ontvangen? 't Voornaamste voor hem was, dat hij wist dan zijn Verlosser leefde.
Tenslotte somt onze Hoogeveense vriend de volgende teksten op om die in hun verband te lezen: atth. 6 : 10 tweede gedeelte, 6 : 25 tot einde, Fil. 4 : 6, 1 Petr. 5 : 7, Ps. 69 : 33-37, Ps. 73 : 28, Ps. 146 : 5 tot einde.
Uit Nunspeet: Briefschrijver wil trachten de drie stellingen van de vriend uit Zoetermeer in de door deze gebruikte volgorde aan een nader onderzoek te onderwerpen.
I. Er wordt gesteld dat iemand, die genade bezit, in een verzekering kan zijn. Dit betekent nog niet, dat hij of wij het ook mogen. Wanneer Abraham 4 vrouwen kan bezitten, mogen wij ons dan ook aan polygamie overgeven? Het gedrag van een enkeling, ook al bezit deze genade, is onmogelijk normatief voor het gedrag van anderen.
II. Tussen materiële en financiële voorzorgsmaatregelen is geen verschil: een voorzorgsmaatregel blijft een voorzorgsmaatregel.
De grote vraag is echter: Is de verzekering een voorzorgsmaatregel? Een voorzorgsmaatregel neemt men tegen een bekend, dreigend gevaar, dus met een bepaald, reëel doel. De verzekering is geen voorzorgsmaatregel tegen een dergelijk gevaar; het doel van de verzekering is het onberekenbare, grillige noodlot uit te schakelen, het noodlot, waarvan wij weten, dat het niet bestaat. De verzekering is een offertje aan het noodlot, zoals de heidense ouden dit
brachten. Men vertrouwde er in de Oudheid op, dat Fatum wel gesust zou kunnen worden, wanneer zo nu en dan een offer gebracht werd; de moderne mens vertrouwt er op, dat de verklede Fatum zich wel koest zal houden, als hij zijn premie maar getrouw betaalt.
III. Het geloofsvertrouwen. Het voorweg), waarop het geloof vertrouwt, is volgens de Zoetermeerder Gods Woord. Ik meen, dat in diepste wezen de basis van het geloof niet Gods Woord is, maar God zelf; weliswaar geloven wij, dat Hij zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar uiteindelijk is God het voorwerp van ons geloofsvertrouwen. Het is waar, dat er in Gods Woord geen belofte voorkomt, dat ons nooit een ongeluk zal treffen. Wel staat er echter; „Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben, " dus ook afgod Noodlot niet."
Tenslotte nog een brief uit Nunspeet. Schrijver valt de Zoetermeerder ook al aan over het feit, dat hij gesteld heeft, dat iemand die genade bezit, verzekerd kan zijn. Hij kan het beter vinden met wat wijlen ds. G. H. Kersten hierover schrijft in zijn Catechismusverklaring over Zondag 10: In de toekomst vertrouwend te zijn is de rijke vrucht van het geloof in Gods Voorzienigheid, doch hoe weinig wordt die vrucht gevonden. Of meent ge, dat het steeds verder om zich heen grijpend verzekeringswezen wat anders zij dan het zich der beschikking Gods onttrekken, voor wat de toekomst betreft. Zulke dingen zoeken de heidenen, zegt Christus (Matth. 6 : 31, 32)."
Het Zoetermeerse voorbeeld van de zeedijk, vindt de Nunspeter onderhoudsmaatregel, want wat aanwezig is, moet noodzakelijk onderhouden worden. Als een zeedijk te laag is, moet deze verhoogd worden. Als men ziek is, gaat men naar een arts.
Over de diaconie zegt de Heere Jezus: De armen hebt gij altijd met u." (Matth. 26 : 11).
Wat in de derde plaats door de schrijver uit Zoetermeer gesteld wordt, vindt onze vriend van de Veluwe in tegenstelling met Ps. 50 : 15: En roept Mij aan in de dag der benauwdheid, Ik zal er u uithelpen en gij zult mij eren." Dit zegt de Grote Schepper tegen een nietig Adamskind. Zou dit ook God verzoeken zijn? In advertenties leest men wel eens de dank voor ontvangen verzekeringsgeld (de tegenstelling met Ps. 50).
Een oprecht kind des Heeren werd eens aangeraden zijn vee enz. te verzekeren. Hij deed het, maar 's avonds kon hij in zijn gebed de noden niet meer kwijt aan de Heere. Hij moest haastig weer uit de verzekering. Dat is praktijk. Als wij het buiten God en Zijn Woord financieel en materieel zoeken klaar te krijgen, dan zijn wij de heidenen gelijk (dus gedoopte heidenen).
Wat 1 Cor. 16 ons leert, is m.i. een betere weg dan wat onze vriend stelt: „het stichten van een maatschappij" en niet een verplichtend, maar een vrijwillige.
In Ps. 81 lezen wij: „En gij zult u voor geen vreemde god nederbuigen, " dus voor geen verzekeringsafgod, maar: „Doet uw mond wijd open en ik zal hem vervullen."
Schrijvers, hartelijk dank voor uw bijdragen. Er liggen nog meer reakties te wachten.
Gesprekleider
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1964
Daniel | 8 Pagina's