Vragenbriek
Op de J.V. te D. is een onderwerp gehouden over de gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht. Hoofdthema van deze gelijkenis is de vergevingsgezindheid. Petrus vraagt namelijk aan Christus of hij werkelijk tot 7 x moet vergeven. Petrus vraagt hier dus om een grens van de vergevingsgezindheid. De Heere antwoordt hem echter: „Zeventig maal zevenmaal zult Gij vergeven." Het getal 7 is het getal der volmaaktheid. Zeventig maal zevenmaal is dus het tienvoud van zevenmaal zeven. Er is dus geen grens. Men moet altijd en volkomen vergeven.
Nu vraagt de J.V.: „Heft nu de vergevingsgezindheid het recht op? "
Wij moeten hier denken aan de bede van het volmaakte gebed: „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren." De verhoring van het eeaste deel van deze bede herstelt de verstoorde gemeenschap tussen God en ons, terwijl het tweede deel de verbroken gemeenschap tussen ons en onze naarte herstelt. En deze twee delen worden nu door het woordje „gelijk" met elkaar verbonden. Dat wil dus zeggen, dat er een zekere gelijkheid is en zijn moet tussen wat God doet en wat wij doen, dat het leven Gods en dat van de verloste zondaar in één stroom samenvloeit.
Dit is een gedachte, die in de Schrift dikwijls naar voren komt. Wij lezen: „Gelijkerwijs Christus, alzo ook gij!" Als wij een levende rank mogen zijn geworden in de wijnstok Christus, vloeit Zijn leven in ons over en worden we naar Zijn beeld vernieuwd. Wij zullen dan niet kunnen nalaten te vergeven, waar wijzelf elke dag van vergeving moeten leven.
Nu vraagt de J.V.: „Heft de vergevingsgezindheid het recht op? " Ik geloof, dat wij heel voorzichtig moeten zijn, om hier over ons recht te spreken. Wanneer ons onrecht is aangedaan, zodat wij diep gegriefd of beledigd zijn, zijn wij dikwijls maar niet zo gelijk geneigd om te vergeven. We redeneren dan, dat wij toch maar niet alles over onze kant kunnen laten gaan enz. Maar in zulke redeneringen denken we alleen aan onszelf. Dat óns onrecht is aangedaan, vinden we vreselijk. Maar er is ook nog een andere kant. Want stel, dat het waar is, dat iemand tegen mij gezondigd heeft, dan heeft hij daarin toch het allermeest tegen de Heere gezondigd. Dan is het tussen hem en de Heere niet vlak en zolang de band der gemeenschap met mij niet hersteld is, kan die met God ook niet hersteld zijn. Daar denken wij vaak maar al te weinig aan. En bedroeft het ons dan, dat niet maar mijn recht gekrenkt is, maar dat Góds recht gekrenkt is?
Ook mogen wij nooit vergeten, dat onze naaste ook altijd rechten heeft tegenover ons.
Want wij zijn schuldig hebben. elkander lief te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1964
Daniel | 8 Pagina's