David Brainerd
Licht en donker
Er zijn veel mensen, die hun gaven en talenten hebben mogen aanwenden tot heil van hun medemensen. Zij hebben met hun talenten mogen woekeren en hebben ze niet in de aarde verstopt. Het zou al groot zijn, wanneer ons leven tot zegen zou mogen zijn van één enkel mens; hoeveel te meer als verscheidene van onze naasten door ons werk en door onze wandel gewonnen zouden worden. De Heere heeft de eeuwen door mensen willen gebruiken tot de komst van Zijn Koninkrijk. Dat is op zichzelf al een wonder. Waarom maakt God geen gebruik van engelen om Zijn Woord te brengen tot hen, die erdoor zullen getroffen worden? Nietige mensenkinderen ontvangen gaven om uit te komen voor hun Heer en Meester, omdat de liefde Gods hen dringt; omdat ze anderen deelgenoot willen maken van de blijdschap, die hen vervult. Dan kunnen ze niet zwijgen. En zo vaak zien we dan, dat het onedele wordt uitverkoren om een groot werk tot stand te brengen. Mensen met een zwakke gezondheid doen krachtige daden door Gods voorzienig bestel. Als ze zwak zijn, dan zijn ze machtig, opdat ze niet zouden roemen in zichzelf, maar alleen in Hem, Die alle roem toekomt.
In de zendingshistorie zien we daar veel bewijzen van. Vaak gebeurt het, clat in de prille jeugd al gevoelens worden wakker geroepen om uit te trekken naar hen, die in de donkerheid van het heidendom leven. Er komt een begeerte in het hart en die zet zó aan, dat de begeerte tot daden uitdrijft, omdat een inwendige kracht werkzaam is, die tot daden aanzet. Het is God, Die in hen werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.
Bij de prediking van de Blijde Boodschap ziet God gelukkig niet naar de huidskleur van een mens, maar blank en bruin, geel en zwart, zijn bij Hem gelijk, omdat het schepselen zijn van Ziin Hand.
David Brainerd heeft korte tijd mogen arbeiden tot heil van de Indianen. Op 20 april 1718 werd David geboren te Haddan, een plaats in het landschap Hartford in de staat Connecticut, ten noorden van Long Island.
Op negenjarige leeftijd verloor hij zijn vader door de dood en nog vóór hij veertien was, stierf zijn moeder. Hij was dus al gauw wees, maar de wezen zullen door God ontfermd worden. David mocht al vroeg ondervinden: Mijn vader en moeder hebben mij verlaten, maar de Heere gedenkt aan mij.
Dat laatste was niet steeds helder in zijn bewustzijn. Zijn zonden wogen hem zwaar op het hart en hij vreesde vaak om eeuwig om te komen. Zijn zoeken naar God zag hij in als een zoeken tot eigen behoud en niet tot eer van God. Dat maakte hem zo dikwijls neerslachtig.
Na de dood van zijn moeder moest hij naar Oost-IIaddan vertrekken. Daar bleef hij vier jaar, om vervolgens op negentienjarige leeftijd naar Durham te verhuizen. Daar werkte hij in de landbouw. Maar al meer en meer begon hem de studie aan te trekken.
Toen hij twintig jaar was ging hij inwonen bij Mr. Fiske, predikant te Haddan. Deze dominee raadde David aan om de gezelschappen van zijn jonge vrienden te verlaten en meer ouderen op te zoeken. Die raad volgde hij op. In zijn dagboek schreef hij: „Ik las de Bijbel tweemaal geheel uit, in minder dan een jaar tijds. Ik besteedde iedere dag veel tijd in het verborgen gebed. Ik was zeer aandachtig onder het gepredikte Woord en wendde mijn uiterste pogingen aan om het te onthouden."
In september 1739 werd hij ingeschreven op de hogeschool te Nieuwhaven, het Yale-College. In die tijd ondervond hij grote troost en verkwikking bij de beoefening van de godsvrucht. Hij schreef hiervan: „Ik bracht enige tijd door in gebed en in zelfonderzoek en de Heere scheen met Zijn genade zodanig in mijn hart, cïat ik voor die tijd een volle verzekerdheid van Zijn gunst genoot. Mijn ziel werd onuitsprekelijk verkwikt met goddelijke en hemelse genietingen. Verscheidene plaatsen van Gods Woord werden met een goddelijke klaarheid, kracht en liefelijkheid voor mijn ziel geopend, zodat die mij uitnemend dierbaar waren. Het was een klaar en zeker bewijs dat het Gods Woord was."
In die tijd was er in de omgeving van Nieuwhaven een grote geestelijke opwekking, een godvruchtige beroering over het hele land. Dit geestelijk reveil drukte ook zijn stempel op de hogeschool en we kunnen ons wel voorstellen, dat dit alles tot grote geestelijke wasdom bij Brainerd moest leiden. Al was het in zijn ziel vaak donker, toch mocht nu en dan de zon heerlijk doorbreken. Dat blijkt wel, als we het volgende in zijn dagboek lezen:
Mijn ziele zegt: vaarwel al 's werelds ijdelheid. Gij hield mij voor uw slaaf, doch nu ben ik bevrijd. Mijn Goël leert mij steeds, dat ik u moet verzaken. Uw vleierij kan slechts een aards gemoed vermaken, maar 't kan een ziele, die aan God is toegewijd, gans niet behagen, omdat gij haar vreugd benijdt. En daarom, laat toch af, wil mijn ziel niet verlokken en roept niet meer tot haar, want ik ben nu ontrokken. God heeft door Zijn gena dit reeds zeer vast bepaald. Hij is het enig Al, waarop mijn ziele maalt. Hij doet Zijn hemels licht reeds in mijn harte schijnen. Uw schoonheid, zo genaamd, moet hierbij gans verdwijnen.
En gebeurt het, dat hij geen troost kan vinden, dan weet hij waar hij met zijn nood heen moet:
Heer, 'k ben een vreemdeling, 'k Leef eenzaam op deez' aarde. Haar allerbeste goed is bij mij van geen waarde. Ik ben afwezig van cle ware troost en rust en echter in deez' staat heeft mijne ziele lust te roepen tot U, Heer, ach Jezus, mijn Beminde. Bezit mijn ziele steeds, dan zal ik ruste vinden. Bezoek mijn lage ziel, verhemel mijn gemoed. O Hemelduif, schenk mij Uw beste goed. Gij zijt alleen mijn God. 'k Wil in en door U leven en mijn gehele hart aan mijnen Goël geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1964
Daniel | 8 Pagina's