Woord en wereld
10
De kerk in het midden?
Wie per trein of auto Utrecht nadert, ziet in de verte de indrukwekkende domtoren opdoemen, die a.h.w. met gevouwen handen naar de hemel wijst. De domkérk is dan nog niet te zien, ze gaat schuil achter allerlei gebouwen. De domtoren, die het stadsbeeld beheerst, is van de domkerk gescheiden. Gescheiden van het kerkgebouw, waarin wekelijks een deel der chr. kerk bijeenkomt. We spreken meer over de imposante domtoren dan over de daarbij in de schaduw vallende domkerk, want waar klopt het hart van het stadsleven? In de domkerk soms? Nee, in de stad staat de kerk niet meer in het midden van het leven. Op zondag komt slechts een zéér klein deel der stadsbevolking in kerkgebouwen bijeen, terwijl de overgrote meerderheid de zondag doorbrengt met uitslapen, familiebezoek, bezoek aan sportwedstrijden en bioskoop, enz.
„Nog staan de hoge kathedralen Met haar gebeeldhouwde portalen, Daar grauw-verweerd; Maar thans heeft men z'n vreze en hopen In cabarets en bioscopen
Geïncarneerd." (J. A. Rispens)
In de ned. herv. kerk rekent men er bij allerlei personele en materiële voorzieningen (o.a. kerkbouw) op, dat ca. 15% van het totale ledenaantal nog metterdaad meeleeft. In de grote steden komt ca. 25% van het ledenaantal der geref. kerken zelden of nooit meer ter kerk, op het platteland varieert dit percentage tussen 5 en 10%. Ook in de stadsgemeenten der chr. geref. kerken en geref. gemeenten gaat dit verschijnsel optreden. De kerk verkrijgt in haar huidige vorm vrijwel géén toegang meer in de wereld van beroep en bedrijf, van belangenorganisatie en vrijetijdsbesteding. Ze bereikt, tengevolge van haar organisatievorm, slechts hen die nog min of meer aan het gezin en de woonomgeving zijn gehouden, bejaarden, vrouwen en kinderen. Op deze wijze worden kerk en kerkelijk-godsdienstig leven verminderd tot een restpost van nog beschikbare vrije tijd en interesse.
Het maatschappelijk en geestelijk leven voltrekt zich meer en meer buiten de kerk om, de kerk staat aan de rand van de maatschappij. Ze neemt een uitgesproken minderheidspositie in de samenleving in, want het grootste deel van ons volk staat in feite aan de rand of geheel buiten de kerk.
In de geref. kerken heeft men, o.l.v. dr A. Kuyper, gepoogd om deze ontwikkeling' af te remmen door het oprichten van chr. organisaties op de gebieden van bedrijf en beroep, vrijetijdsbesteding, enz. Men isoleerde zich op deze wijze, onbedoeld, van „andersdenkenden" én werd (wordt) bedreigd door de verleiding om deze organisaties te gebruiken als middelen tot uitoefening van macht tegenover andere groeperingen. Dit laatste mét de afgeslotenheid van deze organisaties kan de doorwerking van het Evangelie belemmeren bij hen, die buiten de kerk leven. We kennen de verbijsterende uitspraak: „ik doe niet aan de kerk, want ik ben tegen Colijn!"
En als we letten op het vechten voor „het eigen standje" door menige chr. organisatie, aan het toenemende aanbod van verburgerlijkte vrijetijdsbesteding met „een gereformeerd vernis" enz., dan ontkomen we helaas niet aan de indruk dat menige chr. organisatie lijdt aan de kwaal, die zij zelf bedoelt te bestrijden: de ontkerstening.
De kerk uit het midden!
Wie van ons is niet vertrouwd met het beeld van de aan het dorpsplein oprijzende kerk met huizen en boerderijen rondom, als kuikens onder moeders vleugels? Onder deze vleugels kan men moeilijk dorpsbewoner zijn zonder ook kerkganger te zijn. Velen gaan dan — onder de druk der groep — naar de kerk, zonder enige innerlijke aandrang. Het staat „netjes" om bij een kerk te horen en om naar de kerk te gaan! De kerk is in deze situatie één van de weinige gelegenheden om er „eens uit te komen." Als het dorp, b.v. door industrievestiging, gaat verstedelijken dan krijgt de kerk „konkurrenten": sportklubs, lcafétaria's, etc. Ging men vroeger alleen naar de kerk om z'n behoefte aan sociaal kontakt te bevredigen, dan staakt men in deze nieuwe toestand vaak zijn kerkgang om deze behoefte nu op het sportveld, in de kafétaria, enz. te vervullen.
In bepaalde dorpen, b.v. in Friesland en Drente, is kerkgang geen „gebruuk" meer. Vroeger was het in deze dorpen een schande als men niet ter kerk ging, nu is het opvallend als men wél gaat. De Keurs noteerden b.v. in een drents dorp de volgende uitspraak van een vrouw, die graag regelmatig naar dc kerk zou gaan: „Niemand gaat, en ik wil niet dat er over mij gepraat wordt" 1 ).
Komen mensen uit een kerkse streek in een onkerkse omgeving, dan gebeurt het heel vaak dat zij zich bij die zede aansluiten en, uit vrees om op te vallen en aanstoot te geven, ook thuis blijven. Want in veel streken wordt iets, wat tegen het „gebruuk" ingaat, direkt opgemerkt en er wordt onvermijdelijk over gepraat. Vrees daarvoor houdt de mensen tegen om het „gebruuk" te schenden.
In deze ontkerstende situatie beleeft men de kerk vaak als een vereniging. Staverman noteerde tijdens een onderzoek onder „buitenkerkelijken" in Friesland o.a. de volgende uitspraken: (A.) „Probeer een goed mens te zijn. Als dat gaat samen met anderen, uitstekend. Maar dan moeten „de statuten van de vereniging" je bevallen. Wat mij betreft is dat met geen enkelt kerk het geval"; (B.) , .De kerk is nu eenmaal iets, waarin je groot gebracht moet zijn en anders wil het niet"; (C.) „Het is zonde van je tijd om zondagmorgen naar een preek te gaan zitten luisteren en daarvoor zou je je dan ook nog moeten verkleden" 2 )
Als de kerk op het platteland, b.v. door verstedelijking, haar maatschappelijke draagvlak grotendeels verliest, dan kan de geestelijke voosheid van menige gemeente niet langer gekamoefleerd worden. Dan gaat blijken dat veel kerks-
heid in feite niet veel meer was dan traditioneel eerbetoon aan zekere groepsnormen én niet gedragen werd door een persoonlijke band met het Hoofd der kerk. De oorzaken van veel „buitenkerkelijkheid" kan men in de kerk terugvinden. De bestrijding van „buitenkerkelijkheid" moet derhalve binnen de kerk beginnen!
Wat doen wij?
Menig kerklid beziet de genoemde ontwikkeling met een zekere onverschilligheid: „God zal de uitverkorenen er wel uithalen en verder kunnen wij er niets aan doen!"
Deze onverschilligheid verschilt hemelsbreed van het aanhoudend pleiten op de belofte: „Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." Want.... de kerk is niet van óns maar van Christus, Die ons wil gebruiken bij het bewaren en vermeerderen van Zijn kerk. Deze bizondere verantwoordelijkheid mogen we nimmer ontvluchten door een onverschillige houding aan te nemen of door in een paniekstemming te raken.
Nu de kerk overal meer en meer minderheid wordt én aan de rand der maatschappij komt te staan, is het erg belangrijk dat er samenkomsten zijn (komen), waarin de gemeenteleden de vragen, die het moderne leven stelt, met elkaar in het licht van het Woord Gods bespreken. Als dit niét gebeurt, dan nemen we — zónder het te weten! — de normen der wereld over. Onder het mom van rechtzinnigheid kan men immers door en door werelds zijn! Men weet vaak niet een bijbels antwoord te geven op de vragen van ónze tijd, omdat de bijbel vaak mijlenver buiten het dagelijkse leven geplaatst wordt. Dit dan tot groot genoegen van de duivel, die zo onder het masker der rechtzinnigheid zijn triomfen behaalt!
Het is dringend nodig dat de verenigingen op zulk een wijze aan bijbelstudie (gaan) doen dat duidelijk wordt, dat Gods Woord óók in 1964 een lamp voor de voet en een licht op het pad is. Vaak wordt de Bijbel als een kruiswoordpuzzle en niet als het levende en krachtige Woord van God gehanteerd.
Van tijd tot tijd zal men daarom ook aandacht moeten schenken aan allerlei vragen rondom beroepskeus, beroepsuitoefening en vrijetijdsbesteding én die openhartig in het licht der Schrift moeten bespreken.
De wereld van beroep en bedrijf heeft vaak eigenschappen, die rechtstreeks indruisen tegen de geest van het Evangelie. Menig onervaren gemeentelid komt daarin terecht zónder door oudere gemeenteleden daar opgevangen te worden, klaarblijkelijk onder het motto „ieder voor zichzelf en God voor ons allen." Echter nog steeds is elk gemeentelid geroepen om „zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden, " óók buiten het kerkgebouw!
Het verdient aanbeveling dat gemeenteleden in hun werkomgeving (industrie, kantoor, ziekenhuis etc.) kringen vormen, die van tijd tot tijd bijeenkomen om de vragen te bespreken, die aan het christelijk leven daar verbonden zijn. Op deze wijze kan men ook „nieuwelingen" opvangen en middellijkerwijs voorkomen dat zij ondergaan in een klimaat, waarin de tijdgeest zijn diepe sporen heeft getrokken.
Het komt helaas voor dat men zulke kringen niet nodig vindt, omdat men zich geheel aangepast heeft aan de werksfeer. Inderdaad, uit ons leven blijkt (dag in dag uit!) wel Wie wij toebehoren. Ons alledaagse doen en laten geeft te kennen dat wij óf het eigendom van Jezus Christus mogen zijn óf ons laten boeien door een onttroonde duivel!
Wiens eigendom bent u?
B.
') J. Y. en D. L. Keur: „The deeply rooted" 1955 p. 119;
2 ) Dr M. Sta verman: „Buitenkerkelijkheid in Friesland" 1954 p. 221.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1964
Daniel | 8 Pagina's