JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een bladzijde voor en van onze jeugd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een bladzijde voor en van onze jeugd

6 minuten leestijd

Beste jongelui.

Dit is dan het eerste nummer van „Daniël" in 1964 en we hopen natuurlijk allemaal dat er nog vele zullen volgen en dat er regelmatig ook onze bladzijden in gevonden wordt. Jullie moeten me in het nieuwe jaar maar goed helpen, want ik heb jullie hard nodig, dat zullen jullie nog wel bemerken. Het is een goede gewoonte dat we elkaar aan het begin van het jaar iets toewensen. Nu, dat ga ik jullie ook doen.

Ik wens jullie...., neen, laat ik het dit jaar eens anders doen. Jullie moeten mijn wens maar eens opzoeken, ik heb er n.1. een soort raadsel van gemaakt. Mijn wens bestaat uit 54 letters en die kun je te weten komen uit het volgende:

3, 20, 20, 10, 33, 16, 2, 1 is een boek door Salomo geschreven. 8, 4, 24, 52, 48, 2, 5, 38 is de laatste koning van Juda. 14, 6, 19, 51, 33 is een schoonvader van Rehabeam. 18, 17, 44, 53, 47, 12, 15, 18 is een diaken die gestenigd werd. 22, 15, 33, 27, 39 is een profetes.

5, 36, 20, 31, 16, 7, 49, 9, 35 zijn nakomelingen van Ezau. 41, 11, 45, 13, 54, 40, 25, 14, 18 is een zilversmid uit Efeze. 43, 37, 18, 28, 31 is een Arabier, vijand van Nehemia. 50, 16, 36, 41, 42, 48, 32, 33 is een van de rivieren bij de hof van

Eden. 46, 29, 25, 31, 46, 46, 8 bracht de boodschap aan David van Absaloms nederlaag.

21, 23, 33 is een rivier in Egypte. 26, 8, 30, 20, 35, 10, 30, 6, 34, 45 is havenplaats voor de goudschepen naar Ofir (2 Kron.)

Ik wens je er een aangenaam uurtje mee, het zal best niet mee vallen.

Oplossingen behoef je niet in te zenden. Ook kun je nog opzoeken waar de bedoelde tekst staat in de Psalmen. Een volgende keer geef ik de oplossing.

De stem des Heeren

't Is donker en 't is middernacht; de lampen zijn reeds uitgedaan; de jongen is naar bed gegaan. Geen stemgeluid wordt meer verwacht.

Maar plotseling, wat hoort hij daar? Klinkt daar een stem, hoox*t hij geluid? Wie roept zijn naam zo duid'lijk uit? Is er bedreiging of gevaar?

De jongen meent: De oude man, de priester Eli riep naar hem. Natuurlijk, dat was Eli's stem! Wellicht, dat hij hem helpen kan.

De jongen staat nu op en gaat naar Eli. Hij vergeet zijn slaap. „Ja, ziet hier ben ik", zegt de knaap, „wat is 't, dat u mij roepen laat? "

Verwondering ligt op 't gezicht van Eli, die de jongen hoort; want van zijn lippen kwam geen woord. Vergist de knaap zich dan wellicht?

Hij legt zich bij vernieuwing neer. Kom, nu gaan slapen, 't Is toch nacht? Maar plotseling, op 't onverwacht, hoort hij diezelfde stem alweer.

Gewis, dat moet toch Eli zijn. En weer biedt hij zijn diensten aan. Maar Eli heeft het niet gedaan. Is 't dan verbeelding van zijn brein?

Maar nee, want voor de derde keer hoort hij dat roepen: „Samuel!" Nu weet de oude Eli 't wel: Dit is de stem van Isrels Heer!

De knaap gaat weer terug en wacht. Dan klinkt opnieuw diezelfde stem. Hij weet het nu: God spreekt tot hem; God Zelf komt tot hem in die nacht.

„Ziehier — zegt Samuel — Uw knecht! Hij buigt voor 's Heeren majesteit; hij luistert met eerbiedigheid naar 't geen des Heeren mond hem zegt.

Geen oude man verneemt die stem, een jongen, bijna nog een kind, die reeds zijn lust en blijdschap vindt in 't wandelen tot eer van Hem.

Gods stem klinkt ons zo vaak in 't oor, maar luist'ren wij, als Samuel? Of denken wij: , , 't Komt later wel; 'k geef nu de wereld nog gehoor? "

d. V.

Dit lange gedicht heb ik in z'n geheel opgenomen omdat ik het zo mooi vind; het is heel geschikt om op jaarvergaderingen gebruikt te worden. Ik maak onze zeeuwse vriendin een compliment voor haar dichtkunst. Keurig hoor, ik hoop nog eens iets van je te krijgen. Dan laat ik nu nog een opstel volgen over;

Vivia Perpetua

Vivia Perpetua was een godvrezende vrouw. Ze las dikwijls in de Bijbel. Zo las ze ook dat de Heere Jezus gezegd heeft: „Wie vader of moeder, zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig." Deze woorden kan zij nooit meer vergeten. Vivia Perpetua was een rijke vrouw. Toen ze 21 jaar was trouwde zij met een heidense man en wat was ze blij toen een jaar later haar zoontje geboren werd. En wat hield ze veel van haar kind. Maar toch was er Eén, waar ze nog meer van hield; dat was van de Heere Jezus.

Toen Vivia Perpetua op een avond heel alleen in haar Bijbel zat te lezen, klonken er plotseling harde bonzen tegen de deur. Ruwe stemmen schreeuwden: „Doe ons open." Vivia schrok, zij vreesde het ergste. Zou zij de deur open doen? Zou ze nog kunnen ontvluchten? Neen, zij besloot maar rustig af te wachten. Het rumoer voor haar deur werd steeds heviger, steeds harder werden ook de slagen op de deur. Eindelijk een hevig gekraak, de deur had het begeven. Een viertal mannen sprong naar binnen, scheurden de Bijbel aan stukken en pakten Vivia vast en sleurden haar naar de gevangenis en daar werd ze opgesloten in een donkere, sombere kerker. V/at was dat een verschil met haar rijke leven thuis, wat was het hier benauwd en wat miste zij haar kleine jongen. De ouderlingen van de gemeente van Carthago bezochten haar vaak en zij zorgden er ook voor dat haar zoontje zo nu en dan bij haar mocht komen. Wat waren moeder en kind dan blij. Toen ze voor de rechters gebracht werd vroegen dezen haar of zij haar geloof wilde verloochenen. Hiertoe was Vivia Perpetua niet over te halen, beslist was haar weigering en standvastig haar geloof. Misschien zou haar oude vader haar kunnen overhalen. Daar zat de grijsaard wenend bij zijn dochter. „Vivia, denk toch aan mij, ik ben al zo grijs van verdriet. Moet ik je nu ook nog zien sterven? Denk aan mij, denk aan je kleine jongen!" Maar ook deze bede en klacht wist ze te weerstaan, tot het heidendom wenste ze niet terug te keren. De rechters veroordeelden haar nu ter dood. In de arena zou ze door wilde dieren verscheurd worden. Op de dag van de terechtstelling treden Vivia Perpetua en enkele andere martelaren de arena binnen, de beren en stieren worden losgelaten en maken snel een einde aan het leven van deze martelaren. Ze zijn verlost uit hun aardse lijden en krijgen hun genadeloon. Zouden wij ook zoveel voor de Heere over hebben? Berend van Olst — Genemuiden.

Ook Berend hartelijk bedankt. Nu jongelui, moet ik jullie helaas zeggen dat ik zo goed als door mijn opstellen heen ben. Ik heb er nog wel enkele, maar over die onderwerpen hebben anderen al eens iets verteld. Ga gauw aan 't werk, zodat ik over veertien dagen weer een bladzijde kan vullen. Krijg ik geen verhalen meer van .jullie, dan moeten we noodgedwongen ophouden, en dat zouden jullie toch ook jammer vinden?

Nu heb ik nog een vraag aan jullie. Eén van de jongens van mijn knapenvereniging is reeds een hele tijd ziek. Eerst heeft hij een hele poos hier in 't ziekenhuis gelegen en nu ligt hij in Leiden; dat is een heel eind van Dirksland vandaan en zodoende krijgt hij weinig bezoek. Sturen jullie hem allen eens een kaart. Zijn adres is: Hans Smit, Academisch Ziekenhuis, afd.: Neurologie-Barakken, Leiden. Wat zou het leuk zijn als hij van alle 2800 abonnees een kaart kreeg!

Allen hartelijk gegroet.

C. de Bode, Pr. Bernhardlaan 27, Dirksland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1964

Daniel | 8 Pagina's

Een bladzijde voor en van onze jeugd

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1964

Daniel | 8 Pagina's