JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Woord en wereld

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Woord en wereld

7 minuten leestijd

9

Socialisme en vrijzinnigheid

In de vorige eeuw heeft de kerk zich helaas bitter weinig aangetrokken van de sociale én (dus ook) geestelijke ellende, waarin talloos velen van haar leden betrokken waren. De hoge burgerij en aristokratie hadden het in de kerk „voor 't zeggen". Men zoekt dan ook bijna tevergeefs naar een profetisch protest tégen de kinderarbeid, tégen de uitbuiting van de arbeiders. Men vindt daarentegen wel in vele preken van die tijd „schone schilderingen van het hiernamaals, waarin de blauwe boezeroen zal zijn afgelegd."

Veel arbeiders voelden zich door hun kerk a.h.w. verraden, zij vonden geen „gemeenschap van geloof, hoop en liefde, " maar wel „goedkope droompreken". Terecht zegt Brugmans: „bij een massa, zo krachteloos en ondervoed, zo traag en slap, zo armoedig en onontwikkeld, kon men öf een doffe berusting in het eigen droeve lot, öf een geëxalteerde geestdrijverij verwachten, doch niet een opgewekt en innig godsdienstig leven" i) Toen het socialisme opkwam, dat wél getuigde tegen de kinderarbeid en uitbuiting, verlieten vele arbeiders helaas hun kerk en vonden in deze revolutinaire beweging hun „geestelijk tehuis". Ook het kommunisme heeft op deze wijze grote groepen arbeiders in z'n greep gekregen.

Als u met arbeiders praat, welke die tijd min of meer bewust meegemaakt hebben (of „van horen zeggen") dan ontdekt u vaak veel onverwerkte wrok tegen kerk en godsdienst. Temeer, als huidige gemeenteleden opnieuw pogingen doen om hen uit te buiten.'

Veel van deze wrok wordt van geslacht op geslacht overgeleverd, ook al is de toestand op sociaal gebied totaal veranderd. Immers, er is ook een traditionele buitenkerkelijkheid, d.w.z. van geslacht op geslacht.

Ook de modernistische vrijzinnigheid, met z'n aanhang onder „grote boeren" e.d., heeft in 't begin van deze eeuw de poort geopend voor een omvangrijke emigratie uit de kerk. Want zij zag de gemeente niet als „lichaam van Christus, waarvan de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen". Nee, ze beschouwde de gemeente meer als een verzameling van losse, godsdienstig-geïnteresseerde, enkelingen. De gemeente als gemeenschap verdween naar de achtergrond, de enkeling kwam op de voorgrond.

Spreiding van de buitenkerkelijkheid

Gezien bovenstaande behoeft het u niet te verwonderen dat het betrekkelijk grootste aantal buitenstaanden zich bevindt in de provincies noordholland (36, 7%), groningen (29, 1%) en friesland (29, 1%).

De geringste buitenkerkelijkheid hebben de provincies noordbrabant (1, 9%) en limburg (1, 1%). U weet dat de r.k. bevolkingsgroep steeg van 38, 5% in 1947 tot 40% in 1960. Deze stijging dankt ze echter meer aan haar (nog) hoge geboortecijfer, dan aan een aanwas van buitenaf. Want ook in noordbrabant en limburg zijn er al tamelijk veel r.k. die hun zéér belangrijke paasplicht (ontvangen van het „sakrament des Altaars") niet meer vervullen. Het percentage van deze zgn. non-paschanten ligt in de stadsdekenaten Den Bosch, Breda en Maastricht boven de 10%, in sommige parochies boven de 20%. Voor Utrecht, Haarlem, Arnhem, Den Haag, Rotterdam en Amsterdam — de grote steden — ligt het percentage non-paschanten tussen de 20% en 44%. In de afzonderlijke parochies van deze laatste drie steden stijgt het percentage soms tot boven de 50%.

Ook de r.k. kerk worstelt dus met een stijgend aantal leden, dat aan de „rand" leeft en dat soms slechts een klein duwtje nodig heeft om „buiten-kerkelijk" te worden. Niet voor niets verschijnen er van r.k. zijde boeken als „Een andere tijd vraagt een andere kerk." Niet voor niets zijn juist de kardinalen uit de industriegebieden op het oekumenisch koncilie in Rome de „meest vooruitstrevenden", tot groot ongenoegen van de kurie.

Ook frankrijk, duitsland en belgië kennen een toenemend aantal r.k. die in feite reeds buiten hun kerk leven. We denken in dit verband aan het belangrijke werk, dat br. Van Kranenburg in Merksem verricht. Bidt voor hem, „opdat het Evangelie zijn loop hebbe"!

Overal waar het moderne levensklimaat (industrie, rekreatie, e.d.) doordringt, wordt de zuiver-traditionele kerkelijkheid uit z'n voegen gelicht. Elke kerk krijgt dan ook vroeg of laat te maken met een groep leden, die eerst naar de rand van de kerk schuiven, om naderhand hetzij zelf hetzij in het nageslacht buiten de kerk te gaan leven. Dit proces zien we heel diudelijk in de grote steden.

Buitenkerkelijkheid in de grote steden

Als we de grote steden bezien op het aantal buitenstaanden, dan meldt Amsterdam zich met 48, 4% van haar bevolking als eerste stad. Dan volgen: Groningen 45, 4%; Leeuwarden 37, 7%; Delfzijl" 37, 5%; Haarlem 34, 7%; Rotterdam 33, 9%; Dordrecht 32, 1%; Hilversum 30, 6%; Den Haag 29, 8%; Enschede 28, 4%; Almelo 27, 3%; Hengelo 24, 8%; Arnhem 23, % enz. enz. Toch zeggen deze cijfers nog niet alles, ze duiden slechts aan hoeveel mensen zich niet meer tot een kerk of godsdienstige gemeenschap rekenden in 1960. Hoe is het echter met de kerkgang gesteld?

Amsterdam heeft b.v. 48, 8% buitenstaanden, terwijl op een zondagmorgen in 1956 80, 2% der bevolking niet ter kerk ging. Rotterdam heeft b.v. 33, 9% buitenstaanden, terwijl op die zondagmorgen 81, 9% van haar bevolking niet ter kerk ging. Hilversum heeft 30, 6% buitenstaanden, maar op genoemde morgen ging 72, 5% van de stadsbevolking niet ter kerk. En zó is het ook in Den Haag, Dordrecht, Arnhem, x\lmelo enz. enz. Om het verontruste geweten wat te kalmeren, kunnen we deze niet-kerkgangcijfers natuurlijk verminderen met de zgn. „wettig verhinderden, " maar ze liggen dan nog boven die van de officiële buitenkerkelijkheid.

Overwegend r.k. steden hebben (nog) slechts een gering aantal officiële buitenstaanden: Tilburg (1, 2%), Breda (3, 7%) en Nijmegen (5, 5%). Maar gezien het toenemende aantal non-paschanten in deze steden, hebben ook déze cijfers een zeer betrekkelijke betekenis.

Vele randleden, zowel prot. als r.k., huiveren nog terug voor een definitieve breuk met hun kerk. Ze beleven die vaak als een instituut, dat aan hun leven een religieuze wijding geeft. Dit dan met name bij die gebeurtenissen, die niet los staan van het maatschappelijke leven: geboorte, huwelijk en overlijden. De dominee is dan bij de Doop, de kerkelijke huwelijksbevestiging en bij de begrafenisplechtigheid — in hun ogen — de „religieuze ceremoniemeester." Komt deze geesteshouding alléén bij randleden voor? ?

Niettemin kan bij deze plechtigheden het Evangelie van Jezus Christus gebracht worden. Maar gebeurt dit wel altijd naar behoren?

Als de groep randleden verwaarloosd wordt, zoals b.v. in vele ned. herv. gemeenten, valt ze óf in handen van de sekten óf ze doorziet de voosheid van haar religieus besef en neemt voorgoed afscheid van kerk en godsdienst. Dan worden de „kinderen van cle verloren zoon" geboren, voor wie de naam Jezus even weinig betekenis heeft als de namen Jupiter en Herkules. Hooguit een krachtterm!

Onlangs ontmoette ik zo'n iemand. Toen

ik in de loop van het gesprek het woord „zonde" gebruikte, keek hij me even verbaasd aan als u zou kijken, wanneer een boeddhist tegen u zou zeggen „skandhas".

Maar ook hier moeten we met Gods hulp „de buitenstaande als een buitenstaande" worden.

De groep buitenstaanden steeg in ons land van 0, 31% in 1880 tot 18, 4% in 1960; in Amsterdam van 5, 9% in 1899 tot 48, 4% in 1960.

En achter al deze cijfers staan levende schepselen van God, die de duisternis verkiezen boven het licht. ïs dit niet ontroerend? Of.... laat u zichzelf ook nog steeds verblinden door de helse duisternis? Dan roept het bloed van Jezus Christus u tot bekering. Bekeer u en geloof het Evangelie!

Slotopmerkingen

We hebben gezien, dat de nederlandse kerken op de terugtocht zijn. Ook in engeland, duitsland, frankrijk en belgië is dit het geval. Protestantisme en roomskatholicisme worden in een nabije of verre toekomst minderheden in een ontkerstenend westeuropa! Daarom hoop ik in het komende artikel aandacht te schenken aan de positie van de kerk in de westerse maatschappij.

Voor dit keer echter genoeg! Er is werk voor u en mij: „gaat op de uitgangen der wegen; en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft".


prof. dr I. J. Brugmans De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw (1813-1870)” 1961 blz. 182.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1964

Daniel | 8 Pagina's

Woord en wereld

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1964

Daniel | 8 Pagina's