Gedachten bij de dood van een vorstin.
Thijs Booy: „Het is stil op Het Loo . . . Overpeinzingen in memoriam koningin Wilhelmina." Uitgave van Uitgeverij W. ten Have N.V., Amsterdam, 1963. 210 blz., geb. ƒ 12, 90.
Er zijn boeken en boeken, en lezen en lezen is twee. Hoeveel boeken leest men vanaf het begin tot aan het einde zeer geboeid, en hoeveel boeken doen ons werkelijk op elke bladzijde nieuwsgierig zijn naar wat de volgende te zeggen heeft? Het boek van Booy dat ik hier ga bespreken leest men zo, het boeit de lezer waarlijk onophoudelijk!
De mededeling van de dood van prinses Wilhelmina gaf de ouderen in Nederland een schok. Als was het gisteren herinner ik me hoe het door me heen ging: „Hiermee is een tijdperk afgesloten!" En de gedachten gingen zich vermenigvuldigen. Hoeveel te meer moet niet het feit degenen aangegrepen hebben die in haar nabijheid leefden. Haar sekretaris bracht het ertoe — zeer begrijpelijk — om enkele van zijn gedachten te noteren. Anderen verzochten hem — niet minder te verstaan — om die notities niet maar voor zichzelf te houden. Hetgeen ertoe geleid heeft dat ze voor een breder kring herschreven werden en daarna in boekvorm aangeboden. Ik sta er graag bij stil. Schrijver heeft zijn overpeinzingen gekoppeld aan een rondgang door 't paleis Het Loo en zijn omgeving. Een gelukkige gedachte, omdat die hem toelaat wandelend en stilstaand 't ene feit los naast het andere te plaatsen zonder dat dit in opsommerij ontaardt. Dat hij een keer of wat vervalt in een herhaling, althans terugkomt op hetzelfde onderwerp, is zeer beslist niet hinderlijk. Zo gaat het als men van gedachten vol is. En Booy schrijft boeiend. Hij is in zijn opzet, om een beeld te geven van de méns in Wilhelmina van Oranje, haar speciaal als méns de lezer naderbij te brengen, alleszins geslaagd!
Ik ga geen volledig overzicht van de biezonderheden geven die in dit biezonder mooie boek te vinden zijn. Ik doe alleen een greep. Schrijver zegt iets over haar bewust beleven van 't verleden, het beeld dat zij zich vormde speciaal van de geschiedenis van Nederland — waarop van grote invloed is geweest het „Handboek der Geschiedenis" van Groen van Prinsterer, dat zij haar leven lang een ereplaats gaf in haar boekerij — haar dankbaarheid ten aanzien van haar moeder, haar zich in het biezonder met de koning-stadhouder en Willem van Oranje zeer verbonden voelen, haar liefde voor haar vader, enzovoort. Maar ook haar houding tegenover het gewone personeel, haar één zich voelen met haar volk, haar zeer gesteld zijn op de Joden, tegenover wie ze de traditie der Oranjes hoog te houden had en dit bewust ook deed, haar meeleven met het verzet — waar moet ik eindigen? — krijgt alle aandacht. En dan: haar fouten worden door de schrijver niet verzwegen: zij was egocentrisch — maar beslist niet egoïstisch — zij kon lastig zijn en grillig, zachtmoedigheid was niet haar grootste deugd, en aan haar eigen mening hield zij vast tot in 't oneindige. Ook dat zegt schrijver. Ja, hij schreef een eerlijk boek!
Ik laat hier rusten wat hij zegt over 't geloof van de beschrevene. Oordeelt hij hierover niet wat te gemakkelijk? Wat is ervan bekend? Haar uitvaart — door haarzelf tot in biezonderheden voorbereid — was een getuigenis. Dit zij — althans op het moment — genoeg.
Een keer of wat kan ik het echter niet met schrijver eens zijn. Op bladzij 154 signaleert hij iets verkeerds in haar benadering van de historie. Wilhelmina van Oranje zag in het verleden van ons land niet enkel maar Gods leiding, maar was er ook van overtuigd dat God Zijn liefde in 't biezonder aan ons land bewezen had. Ten onrechte, aldus de schrijver: Er is geen grond om aan te nemen dat Hij de Bulgaren en Litouwers niet zo welgezind was, en nog is, als ons, de Nederlanders (regel 13 en de volgende). De redenering heeft een schijn. Natuurlijk, Nederlanders zijn geen haartje beter dan Bulgaren of Litouwers. Gods gunst is altijd onverdiend. Maar moet men toch de vele kennelijke zegeningen — met name die op geestelijk gebied — in het verleden van ons land niet zien als uitingen van Gods volkomen soevereine liefde, niet door ons verdiend? Schrijver is hier al te oppervlakkig.
De staatkundige gevoelens waarvan schrijver blijk geeft op de bladzijs 174 en 175 verlokken ook tot tegenspraak: het is voor een vorst een eer ook dat waarvan hij overtuigd is dat het zeer beslist verkeerd is, te beschermen! Ik denk daar anders over, al zie ik wel in dat het zo veel geroemde hedendaagse demokratische bestel gedachten zoals deze met zich meebrengt, en.... het voor een vorst biezonder moeilijk maakt om te regeren op een wijze die hij zelf verantwoord vindt. Iets eerder stelde schrijver vast dat de beschrevene in menig opzicht een oudtestamentische figuur genoemd kan worden, en dat haar wereld een oudtestamentisch stempel droeg. Ik had wel graag gezien
(Vervolg op pag. 94)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1963
Daniel | 8 Pagina's