Te roemen is mij niet oorbaar
De oude ging verder met spreken tegen de stadhouder. Zijn hart was vol en daarom liep zijn mond over. De stadhouder luisterde gespannen. „We mochten dus niet meer roven en we moesten aan de arbeid, had de zendeling gezegd. Bijna allen hielden woord. Slechts enkelen keerden tot hun vroegere leven terug. Toen kwam er tussen ons volk een kloof, want zij, clie niets van de Heere Jezus wilden weten, gingen ons haten. Ze werden zeer vijandig. Zij wilden lelijke dingen van ons zeggen, maar ze konden niets anders van ons vertellen, clan dat we niet meer op roof en plundering gingen. Dat was alles. Op het laatst wilden ze tegen ons oorlog gaan voeren. Toen waren velen van ons van plan om zich ook gereed te maken voor de strijd.
Maar toen kwam vader Schwartz. Hij sprak ons aan en zei: „Weg met dat zwaard en die spies. Ik heb veel betere wapens." Wij keken hem vragend aan en wisten niet welke wapenen hij bedoelde. Dat zag de zendeling en toen zei hij: „Die wapens, die ik bedoel, zijn geduld en gebed."
Velen van ons vonden die wapens niet goed. Ze riepen en schreeuwden, zodat vader Schwartz zich haast niet verstaanbaar kon maken. Toen wachtte hij geduldig en sprak ons weer aan. Nogmaals zei hij, dat we geduldig moesten zijn en dat we voor onze vijanden moesten bidden.
Tenslotte werd het stil en de opstandigen onder ons brachten hun wapens weg. Toen stonden we ongewapend. En wat denkt u?
Zo gauw als de vijanden zagen, dat we ons niet zouden verweren, gingen ze weg en lieten ons verder met rust." Nu zweeg de oude en keek in de verte, alsof hij alles nog zag gebeuren en een glimlach gleed over zijn verweerd gezicht.
De stadhouder scheen er behagen in te vinden en probeerde nog meer van de man te weten te komen. Hij vroeg: „Ik zie hier overal bebouwde akkers. Hoe is het in cle wereld toch mogelijk geweest om al dit land te ontginnen? " „Wij hebben kanalen gegraven, " antwoordde de oude man. „Toen groeide alles tienvoudig." „Wie leerde jullie kanalen graven? "
Verwonderd keek de grijsaard de stadhouder aan. Toen sprak hij met vuur: „Wie zou dat nu anders moeten zijn dan hij, waarover ik nu zoveel heb gezegd? Het is vader Schwartz! Die kan alles!"
Ondertussen waren er meerdere mensen bij het groepje gekomen. Met welgevallen hoorden ze het aan, dat zoveel goede dingen over Schwartz werden gesproken. Ze knikten met het hoofd en mengden zich ook in het gesprek. Aan alles merkte de stadhouder, dat het de volle waarheid was wat van de zendeling werd gezegd. Er was niets overdrevens bij.
Daarna vervolgde hij zijn weg. In zijn hart was een gebed voor de grote man, die zoveel voor Indië had gedaan. En Jonathan moest bekennen, dat het een waar woord was wat de oude Kaller had gesproken: „Vader Schwartz kan alles."
Laten we nu naar de zendeling zelf gaan. Hij zit in zijn kamertje en schrijft. Het is een brief voor professor Schultz in Ilalle, de stad van de stichtingen van Francke. Bovenaan staat 8 oktober 1797.
We zijn wel wat nieuwsgierig wat de zendeling te schrijven heeft. Nou, clat is goed. Lees maar gerust. En dan lezen we:
„Eben-Haëzer — tot hiertoe heeft de Heere geholpen. Vandaag treed ik mijn 71ste levensjaar in. O, welk een rijkdom Zijner genade, barmhartigheid en geduld, heb ik sedert zeventig jaren genoten! Prijs, aanbidding en eer zij God, Vader, Zoon en Heilige Geest voor de ontelbare bewijzen van Zijn onuitsprekelijke genade!
Wie ben ik, arm, ellendig zondaar, dat Gij mij tot hiertoe geleid hebt! O, God, verlaat mij niet in mijn ouderdom, maar laat mij tot opwekking van anderen vertellen met welke barmhartigheid Gij mij hebt verschoond, vergeven en mij getroost. Mogen ze daardoor bewogen worden hun vertrouwen op U te stellen!
Nog ben ik in staat, zonder al te grote inspanning jong en oud te onderwijzen en dit werk is mij zo verkwikkend, dat ik God hartelijk dank voor de gezondheid en kracht mij gegeven, om de heidenen en christenen de Naam te verkondigen van Hem, Die voor ons gezonden is in cle wereld en Zich tot een Verlosser van zondaren gesteld heeft.
Laat de wereld roemen zoveel ze wil — mijn roem is de Heere, van Wie al mijn zaligheid komt."
Is de brief nu al uit? Ja, Schwartz roemt niet in zichzelf, maar hij roemt in de Heere.
Hij had stof genoeg om te roemen. Als hij alles eens opsomde wat er in zijn ouderdom nog gebeurde door zijn toedoen, dan zou de brief wel langer geworden zijn! Laten we dat, zonder de man te verheerlijken, de volgende keer eens bezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1963
Daniel | 8 Pagina's