JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Woord en wereld

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Woord en wereld

8 minuten leestijd

7

Persoonlijke verantwoordelijkheid

We zien in onze tijd vaak dat de mensen in de grote maatschappelijke verbanden (organisaties, partij enz.) hun persoonlijke verantwoordelijkheid overdragen aan „specialisten". Dit gebeurt vaak in de geest van „ze zoeken het maar uit, hoor!".

Dit verschijnsel zien we helaas ook in meerdere kerken optreden. Er zijn „specialisten" voor armenzorg, zending, evangelisatie, enz. Van tijd tot tijd geven we onze bijdragen voor dit werk, met de nodige kritiek „als de beste stuurlui aan wal", nietwaar?

De Reformatie pleitte echter voor de mondigheid van élk kerklid, ze protesteerde daarom tegen een hoog boven het kerkvolk tronende geestelijkheid. Luther zegt b.v. dat „allen, die kerkleden zijn, priesters zijn, " terwijl de geestelijkheid „de anderen alleen maar moest dienen door de dienst des Woords om hen te onderwijzen ten aanzien van het geloof in Christus en de vrijheid waarin gelovigen zich mogen verheugen" *). In een schrille tegenstelling met dit reformatorisch beginsel staat b.v. de Evangelische Kirche in Duitsland op vele plaatsen. Deze wordt nu door velen vaak een „Pastorenkirche" (domineeskerk) genoemd, omdat dominees daarin praktisch alléén de dienst uitmaken. Zó lijkt de kerk op een aangelegenheid van dominees. Het „gewone" kerklid wordt zo van zijn persoonlijke verantwoordelijkheid beroofd, hij wordt alléén „luisteraar", „toehoorder". En nu is het een bekend feit, dat men iets — waarvoor men géén verantwoordelijkheid draagt — vrij gemakkelijk verlaten kan. Zie hier: één van cle oorzaken van cle toenemende buitenkerkelijkheid.

We mogen er nimmer van uitgaan, dat als er maar zendelingen en evangelisten zijn, wij zelf géén roeping meer zouden hebben. Dat zou een geraffineerde vlucht voor onze persoonlijke verantwoordelijkheid zijn!

De werfkracht van de kerk

Onder andere onder invloed van het humanisme, is er in onze tijd een toenemende aandacht voor de mens, speciaal voor zijn innerlijke leven, tot in de kerk toe. In hoeveel „aktuele" preken wordt er niet gesproken over „eenzaamheid", „angst voor het leven", enz.? Over 't algemeen is er allerwege in kerkelijk Nederland een grote aandacht voor de mens: zijn getuigen en ervaren, zijn beleving en praktijk. De aandacht wordt dan sterk gericht op het persoonlijke zieleleven, de persoonlijke daad, de persoonlijke zaligheid.

De H. Schrift legt echter geen bijzondere nadruk op de daden en het zieleleven van de mens maar wel op de grote daden Gods en Zijn innerlijke bewegingen der barmhartigheid. Daarom is de verkondiging der apostelen een prediking met „volmacht" (autoriteit, gezag). Ze is niet een aaneenrijging van goedbedoelde raadgevingen en wensen; nee, ze is een hemelse proklamatie: „Alzo spreekt de HEERE!". Deze proklamatie (afkondiging) komt tot de mens, onafhankelijkheid van zijn zielstoestand, bereidheid en Godskennis. Het Evangelie is immers niet een levensbeschouwing, niet een gedachtensysteem. Nee, het is de afkondiging van het Koninkrijk dat is én komt. En het Rijk breekt zich baan dwars door alle menselijke weerstanden heen, het vernieuwt ontwrichte mensenlevens. Omdat het Rijk nabijgekomen is, in Christus Jezus, worden de mensen opgeroepen om zich te bekeren; „bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen".

In de verkondiging der apostelen wordt naast Jezus Christus niet een aparte plaats ingeruimd voor de mens: „indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking: Maranatha!" (1 Kor. 16).

Eén van de oorzaken van de toenemende buitenkerkelijkheid is het feit, dat in veel prediking de gemeente „met rust gelaten wordt", niet opgeroepen wordt „om zich te bekeren van de afgoden tot cle levende God." De prediking wordt dan een verzameling van raadgevingen om dit te doen en dat te laten óf een schildering van allerlei zielstoestanden. De kern van het Evangelie is dan echter „zoek", n.1. de oproep „laat u met God verzoenen!".

Op deze wijze worden de bevrijdende en vernieuwende krachten van het Koninkrijk niet of nauwelijks openbaar in deze wereld. Vandaar dat menige „randkerkelijke" zich in alle ernst afvraagt: „Heeft de Boodschap der kerk (het Evangelie) nog wel enige betekenis voor deze tijd? "

De Reformatoren hadden echter een onbeperkt vertrouwen in de macht van het Woord. Als Luther terugdenkt aan de rijksdag in Worms, schrijft hij:

„het Woord deed alles. Als ik gewild had had ik in Worms zo'n spelletje kunnen spelen en oproer veroorzaken. Gekkenwerk zou het geweest zijn. Terwijl ik rustig mijn gang ging, sliep en bier dronk met Philippus en Amsdorf gaf God aan het pausdom een geweldige klap. Ik deed niets. Ik heb het Woord laten werken" 2 ).

Velen vragen in deze tijd „wie zal ons het goede doen zien? ", zoeken hun geestelijk tehuis bij allerlei stelsels, die een „pracht-toekomst" beloven: kommunisme, nationalisme, enz. Nu onderscheidt de kerk zich van elke andere gemeenschap hierin, dat zij geroepen is om het Koninkrijk Gods voor te bereiden door haar prediking, en daardoor uiteindelijk zichzelf overbodig te maken; „ik zag geen tempel in haar" (Openb. 21). Juist deze prediking verwekt een heilige onrust over de wereld, zoals die nu reilt en zeilt. Daarom horen we in het Woord de oproep tot het verwachten van, het hopen op, het bidden om de nieuwe hemel en aarde, waarin gerechtigheid woont. Het laatste woord der Schrift is geen dankzegging voor bezit, geen juich-

kreet om de overwinning. Nee, het is een noodsignaal, een kreet van verlangen en verwachting: „Kom, Heere Jezus, kom haastiglijk!".

Het Nieuwe Testament trilt a.h.w. van déze verwachting. Niet de vraag „wat gebeurt met de mens als hij sterft', maar wel de vraag „zullen de doden opstaan? " wordt gesteld. Als de griekse gemeente Thessalonika vraagt wat er gebeurt met hen, die ontslapen zijn, antwoordt Paulus dat zij „niet behoeft te treuren, zoals de anderen, die geen hoop hebben". Waarom niet? Wel, als „wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem".

Hoe is het in onze tijd met de verwachting van het komende Koninkrijk, met het heimwee naar de nieuwe hemel en aarde? Denken veel gemeenteleden, als zij aan de toekomst denken, niet sterker aan een „onbezorgde oude dag" óf „een goede positie" dan aan de wederkomst van Jezus Christus? Denkt u ook zo? Dan mist u het „beginsel der eeuwige vreugde", dan hebt u — in diepste zin — een vreugdeloos leven! Gelet op de afval in en buiten de kerk, in westeuropa, rijst de vraag: „is God niet bezig om de kandelaar van zijn plaats weg te nemen, over te plaatsen uit het Westen naar het Oosten? " Dit zal gebeuren als er géén gehoor gegeven wordt aan de oproep „bekeer u en doe weder uw eerste werken". En: de vernieuwing der kerk moet bij u en mij beginnen! Gods arm is niet verkort, zodat Hij niet zou kunnen verlossen! Daarom bad Jeremia, toen hij op de puinhopen der verwoeste tempelstad zat: „HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als voorheen. Want zoudt Gij ons geheel en al verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn? "

Een vraag: is dit ook uw dagelijks gebed? Verwacht u een verhoring?

Verwacht grote dingen van God! Verwacht van Hem de werf-kracht: „en de Heere deed dagelijks toe tot de gemeente, die zalig werden".

Andere vragen

Jezus Christus is een teken dat tegengesproken zal worden: „wij worden gescholden, wij worden gelasterd, wij zijn geworden als uitvaagsel der wereld en aller afschrapsel tot nu toe". In oostduitsland, rood-china, enz. zitten op dit ogenblik leeftijdgenoten van ons in de cel of ondergaan hersenspoelingen, alléén omdat ze Jezus Christus als hun enige Heere belijden.

Zijn wij ook zo bezield door het komende Rijk, dat we daarvoor alles in de „waagschaal" stellen? Of ze gg en we: „je moet kalm aan doen, je moet niet alles zo letterlijk nemen, je kunt het beter met de tegenstander op een akkoordje gooien"? Dan geldt voor ons de verpletterende aanklacht: „zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Jezus Christus is".

Het „hunne": een goede naam, een hoog loon, veel vrije tijd, een promotie, mooi meubilair, een fonkelnieuwe bromfiets? En wat betekent dan „hetgeen van Jezus Christus is" voor ons in het jaar onzes Heeren 1963?

Christus heeft gezegd „in de wereld zult gij verdrukking hebben". Daarom is het een verdacht verschijnsel dat de kerk zo algemeen geduld wordt. Weliswaar behoeft er lang niet altijd meteen kerkvervolging op te treden. Want reeds lang daarvoor is er voor de gemeenteleden, die Jezus Christus belijden, verdrukking in hun dagelijkse omgeving. Immers, werkelijk christelijk geloof wordt door de wereld eerst „raar" gevonden, dan ergerlijk, tenslotte gevaarlijk!

Maar.... „hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen!"


1) dr C. N. Impeta: „Luthers werken" 1959 blz. 149;

2) prof. dr W. J. Kooiman: „Luther; zijn weg en werk" 1959 blz. 85.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1963

Daniel | 8 Pagina's

Woord en wereld

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1963

Daniel | 8 Pagina's