De geest der dienstbaarheid
Zie, ik dien u nu zovele jaren. (Lukas 15 : 29)
Er zijn nog altijd mensen, die hun beeld niet in die jongste zoon kunnen zien. Zij denken het leven te leiden van de oudste zoon en de genade te verkrijgen zoals de jongste die verkreeg.
Wanneer wij ons oog op die beide zonen vestigen, dan onderscheidt zich zo te zien de oudste gunstig van de jongste. En toch is die oudste even diep verloren als de jongste. Heeft hij, in plaats van zijn goed op te eisen, altijd hard gewerkt op het land zijns vaders, hij eist dan ook gestreng zijn loon. Hoewel zoon, eerstgeboren zoon, onttrekt hij zich niet van de arbeid op het veld. Nee, hij is zelfs nog bezig als de jongste met vreugde wordt binnengehaald. Hij bearbeidt met vlijt en getrouwheid cle vaderlijke akker alsof hij geen zoon was maar een dienstknecht. Eerst aan de late avond, als het feest in volle gang is, zien wij hem, na cle hitte des daags te hebben verdragen, vermoeid uit het veld thuiskomen. Hoe gunstig onderscheidt hij zich van de jongste zoon! En toch, laat de schijn ons niet bedriegen. Het is te vrezen of die ijver wel de ware is. Of het niet is de vreugdeloze onheilige geest der dienstbaarheid, hemelsbreed onderscheiden van de geest der vrijheid.
Als hij de vaderlijke woning nadert, is het gezang en de beurtzang hem vreemd onverklaarbaar. Dit ouderlijk huis is voor hem niet de vriendelijke ouderlijke woning, de plaats van kinderlijk geluk en innige blijdschap, maar de plaats van strenge tucht, van gebod op gebod en regel op regel. Onder het scherpe oog gaat geen feil ongestraft voorbij. Het hoofdgebod is niet „liefhebben", maar „doet clat".
Vandaar zijn bevreemding als hij dat alles hoort uit de verte. Hij roept een knecht en vraagt wat dat toch wel zijn mag daar in dat huis. Hij, met zijn slavengeest, ziet zich morrend veroordeeld tot altoosdurende arbeid. Van vreugde en hartelijke blijdschap heeft hij geen weet. Deze enge bange, hoe ook werkzame geest is in de grond een onheilige geest.
Als de blijde dienstknecht die door hem geroepen is en op wiens gezicht de vreugde te lezen staat, hem mededeelt: „Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht" en dan verwacht hem vol blijdschap naar binnen te zien snellen, heeft hij het mis.
Hij wordt zeer toornig en wil niet ingaan. Hij heeft geen woorden genoeg om zijn verontwaardiging over zo'n vader te uiten. Nu openbaart zich de nijd en hoogmoed over die andere zoon, die hij zijn broeder niet meer wil noemen. Die hij allang uit het familieregister heeft geschrapt. Voor wie hij zich diep schaamt. En dan zulk een feest over zo'n doorbrenger, terwijl hij, de trouwe zoon van zijn vader nooit enig schijnsel van vreugde op al zijn arbeid in dat huis genoot.
Dat is de onheilige geest die zich alléén de getrouwe acht, wiens arbeid hem wettige aanspraak meent te geven op alles wat in het huis zijns vaders is. Hoe weinig erkent hij ook de liefde des vaders, die naar buiten gaat en hem bidt in te komen. Hij veracht die liefde en kan zijn onheilige toom niet bedwingen tegen zijn vader. Hoe verblindt de eigengerechtigheid nog meer dan de zonden. De verloren zoon heeft zijn vader duizend smarten aangedaan door hem te vergeten en zijn goed met hoeren door te brengen. Maar de oudste haat zijn vader, hij is verblind door haat. Zo kan alleen de eigenwijze, de eigengerechtigde, haten. Zie, zegt hij, ik dien u nu zoveel jaren en heb nog nooit uw gebod overtreden. En ik heb nog nooit een bokje gehad om met mijn vrienden vrolijk te zijn. Hij heet een zoon, maar dient als een slaaf en haat als een vijand.
Hij eist, eist streng. Hij dient al vele jaren en dat zo precies dat hij nog nooit een gebod heeft overtreden. Nee, hij kent niets van de blijdschap zijn vader weer te mogen zien. Hij zal niet mee instemmen met het lied
Goedertieren Vader, milde zegenader,
stel Uw vriendelijk hart, op wiens gunst wij hopen, eeuwig voor ons open. Weer steeds alle smart.
Hij vergrijpt zich aan het recht des vaders en veracht, die God niet verachten wil. O, ze zijn er nog lezers, ernstige, wettische mensen bij wie geen ware zelfkennis is. Over het paard getilde vromen die met geen goddelozen meer aan 's Vaders dis willen zitten. Die de innige blijdschap missen, de verwondering: „Heere mag ik terugkomen, wilt U zo een nog in Uw huis hebben? En ben ik nu weer Uw kind? Zult u nooit meer op mij toornen en schelden? "
Met rood betraande ogen zit de verloren zoon aan 's vaders dis en met moeite eet hij een stukje van het gemeste kalf. Er is een mengeling in zijn hart van onuitsprekelijke smart dat hij zijn vader zo iets heeft aangedaan en van ontvangen liefde die hij wel uit wil schreeuwen met duizend stemmen: „Mij de grootste der zondaren is barmhartigheid geschied."
Hier ziet u het voorspel van de dag der dagen. De zoon die een dienstknecht was, het kind des Koninkrijks, buiten geworpen en hij, die eenmaal tot zichzelf kwam en wederkeerde met droefheid en geween, aan de feestdis. Onbegrijpelijk.
Maar stof tot eeuwige verwondering!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1963
Daniel | 8 Pagina's