Een bladzijde voor en van onze jeugd
Een praatje vooraf.
Zoals ik de vorige keer al schreef, valt het voor mij niet altijd mee om onze bladzijde op verantwoorde wijze vol te krijgen. Ik moet dikwijls zoeken in mijn mappen of er nog iets bruikbaars te vinden is. Soms denk ik wel eens: „Ik houd er maar mee op, want onze lezerskring stelt het niet op prijs." Zo nu en dan kom ik er echter achter dat dit toch niet het geval is. Zo kreeg ik van de week een hartverwarmende brief van een „oude vriend" uit Noord-Holland. Deze brief geeft me weer moed en kracht om door te gaan. Hij schrijft o.a. het volgende: „Het is jammer dat uw voorraad dra is uitgeput. Waarlijk de jeugd ligt me na aan 't hart. Het is van het eerste wat ik inzie als „Daniël" komt. Toch weet ik nog wel wat, als het niet afgekeurd wordt. Nog mag ik zijn een man die het land bouwt. Mijn leeftijd mag zijn tussen de sterken en zeer sterken; hoewel ik zwak ben, nogthans ben ik, die ik ben." Kijk, jongelui, dit eenvoudige briefje van een oude pelgrim heeft mij goed gedaan. Hier komt het gedicht, dat hij me stuurde:
Het Bijbels Alfabet
Abasolom ging zijn vader bevechten. Bileam wenste de dood der oprechten. Cham bespotte zijn vader zeer snood. David sloeg reus Goliath dood. Elia is levend ten hemel gevaren. Farao verdronk met zijn heer in de baren. Gideon wilde Israëls koning niet zijn. Hiskia vernielde de slang der woestijn. Izak verloor 't gebruik zijner ogen. Jakob heeft listig zijn vader bedrogen. Kaïn was nijdig, beging ene moord. Laban verbrak steeds aan Jakob zijn woord. Mozes is levend uit 't water getogen. Nathan bracht David zijn zonden voor ogen. Obadja was ijverig in Israëls leer. Petrus verloochende drie keer zijn Heer. Quartus moest van Paulus de broederen groeten. Ruth mocht in Boaz haar losser ontmoeten. Simson was sterk, vermaard door zijn kracht. Timotheüs was bij de broederen geacht. Uria moest sterven voor David, zijn heer. Vasti, de edele, verloor steeds haar eer. W, X en Y zijn, hoe ik ook zoek Mij onbekend in 't Bijbelboek. Zacheus plaatste zich zonder schroom Bij Jezus' komst in ene boom.
Dus vindt men 't alfabet In 's Heeren Woord, van A tot Z.
M'n oude, onbekende vriend, heel, heel hartelijk dank en wederkerig Gode bevolen. Uw andere gedicht zie ik met belangstelling tegemoet. We krijgen nu een opstel van een jonge vriend:
Het gouden beeld
Hoor ik daar geen hamergeklop? Ik zal nog eens goed luisteren. Ja, werkelijk. In het dal Dura, daar helemaal beneden in 't landschap Babel, zie ik steenhouwers en goudsmeden bezig. Waarom zijn al die mensen daar toch aan 't werk? Ik zal het jullie vertellen. Koning Nebukadnezar was van plan een mooi groot beeld te laten maken. Dat beeld zou ongeveer 30 meter hoog en 3 meter breed moeten worden. Aan dit beeld zijn nu die mensen bezig. Dit prachtige beeld is eigenlijk een teken van de heerlijkheid en rijkdom van de koning. Na vele weken is het beeld eindelijk klaar. Nu trekken boodschappers door het land om alle stadhouders, vrienden en rijken uit te nodigen de plechtige inwijding van dit beeld bij te wonen. Op de vastgestelde dag is het een grote drukte in het dal Dura. Alle stadhouders en raadsheren zijn aanwezig en hebben zich rondom het beeld opgesteld. Dan komt de koning, alle mensen zwijgen stil. Een heraut loopt voor de koning uit en roept: „Men zegt u aan, gij volken, gij natiën en gij tongen, ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalters, des akkoordgezangs en allerlei andere muziek, dan zult gij knielen voor het beeld van Nebukadnezar." Even later schalt de muziek over de vele hoofden en allen knielen. Allemaal? Nee, toch niet. Drie mensen blijven staan; het zijn de drie joodse stadhouders Sadrach, Mesach en Abéd-nego.
Het wordt tegen de koning gezegd en deze laat hen bij zich komen. „Hebben jullie opzettelijk mijn gebod in de wind geslagen? ", vraagt hij boos. „Waarom hebben jullie niet geknield? Ik zal nog eens bevel geven om muziek te laten maken en •dan zult ge knielen en zo niet, ik zal jullie in de vurige oven laten werpen." ..Dat behoeft u niet te doen, koning, want wij zullen niet knielen en het beeld aanbidden. Wij aanbidden alleen God." Als de koning dat hoort wordt hij vreselijk boos en gebiedt, dat het vuur zeven maal heter gemaakt moet worden, en dan werden Sadrach, Mesach en Abéd-nego er in geworpen. Vreselijk. De koning ziet het met voldoening gebeuren, maar dan wordt hij bleek van schrik. Hij kijkt naar de oven en ziet er vier mannen in. Hoe kan dat? Hij loopt naar de oven toe en met ontzag roept hij: „Sadrach, Mesach en Abéd-nego, gij knechten des Allerhoogsten Gods, gaat uit en komt hier."
Dan komen de drie mannen ongedeerd naar buiten en iedereen loopt toe om hen te bezien, maar zij mankeren niets. Vol ontzag roept Nebukadnezar nu uit: „Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abéd-nego."
Niet het gouden beeld, niet Nebukadnezar, maar Godt wordt geëerd. (Jan Versluis — Jutphaas).
Jan is ook een nieuweling; fijn Jan, dat je met ons mee gaat doen en bedankt voor je eerste opstel.
De verwoestmg van Jeruzalem.
Boenk! Boenk! Boenk!
Wie doen dat? Wat is dat? Daar heb je het weer. Boenk! Boenk!.... Boenk! In Jeruzalem weten ze wel wat dat is. Kinderen huilen, ze zijn bang van dat lawaai. Kanongebulder? Nee, dat kon toen nog niet. Wat zijn dat voor dingen? Dat zijn grote zware wagens, met grote balken er op en daar zitten stukken ijzer aan vast. Die ijzeren punten komen tegen de muur van Jeruzalem om de stenen los te werken; zo komen er gaten in de stadsmuur en daardoor kunnen de Romeinen in de stad komen. Vele soldaten sneuvelen want de stad wordt dapper verdedigd. De strijd is wreed. Telkens bestormen de vijanden de stad, maar ook telkens worden ze teruggeslagen. De bressen worden echter steeds groter en steeds wijder. Na een maand dringen de Romeinen Jeruzalem binnen. Ze juichen als ze door de tweede muur zijn gedrongen. De tegenstand is echter fel, telkens werden ze teruggeslagen. Titus, de aanvoerder, gebiedt: „Voorwaarts, voorwaarts." Meter voor meter wordt de stad genomen, de veroverde huizen worden met de grond gelijk gemaakt. De Joden denken nog steeds, dat de Messias komen zal, om hen te verlossen. Dat de Messias al gekomen was geloofden ze niet.
Boenk! Boenk!.... Boenk!
De stormrammen worden weer gebruikt, nu om de burcht Antonia te veroveren. Als de Romeinen die burcht hebben, hebben ze het sterkste gedeelte van de stad in hun macht. Voor de strijd begon had Tiitus geprobeerd er een eind aan te maken, door de Joden te vragen of ze zich over wilden geven. Maar dat hadden ze niet gewild, ook al heerste er hongersnood in de stad. Eens op een dag gingen er Joden op uit om eten te zoeken. Plotseling roken ze wat gebraden vlees. Ze rennen naar het huis, waar de geur vandaan kwam, met bijlen sloegen ze de deur open, sprongen naar binnen. Een vrouw probeerde hun de weg te versperren, maar tevergeefs. Ze traden een kamer binnen en op de tafel lag vlees. O, afschuwelijk. Deze moeder had haar eigen kind gedood en gebraden. De honger had haar krankzinnig gemaakt
Hoewel reeds veel in Jeruzalem verwoest is willen de Romeinen de tempel sparen. Maar in 't felst van 't gevecht grijpt een soldaat een brandend stuk hout en gooit het door één van de tempelramen naar binnen. Even later slaan de vlammen uit het prachtige gebouw. Zesduizend Joden, die er in gevlucht waren, komen om. Korte tijd later is de hele stad door Titus veroverd. De Joden, die nog leven worden als slaaf verkocht naar Egypte. (Gert van Stempvoort — Veenendaal).
Dat is toch van jou, Gert. Op je papier stond geen naam en de envelop heb ik al weggedaan. Ik dacht dat het van jou was, als het niet zo is dan hoor ik dat nog wel. Zo jongelui, ik ben weer onder aan de bladzijde gekomen en dat met jullie hulp. Van wie krijg ik van de week een opstel? Het geeft niet waarover, als het niet goed is merk je dat wel.
Ik eindig met de hartelijke groeten en tot schrijvens.
C. DE BODE, Pr. Bernhardlaan 27, Dirksland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1963
Daniel | 8 Pagina's