Eertijds ver en nu nabij
In het zuidwesten van Tanjour strekt zich een woest bergland uit. In de wouden wemelt het van roofdieren. Iedereen schuwt dit gevaarlijke gebied. Wie zou in aanraking willen komen met giftige slangen en wie is niet bang voor giftige vliegen? Wie schuwt het groter roofgedierte niet?
En toch waren daar de mensen niet zó erg bang van. Er waren andere vijanden, die men vreesde. Dat waren de kallers. Als je deze naam uitsprak, kwam er een trek van afschuw op het gezicht van de hoorders. Kallers, wie vreesde die wilden niet? Kallers waren mensen, die alleen leefden van roven en stelen. Niemand en niets ontzagen ze. De hele streek werd door hun strooptochten onveilig gemaakt. De engelse regering had al verscheidene pogingen ondernomen om dat roversnest uit te roeien, maar alles was tevergeefs. De schuilhoeken van de kallers waren onvindbaar.
De rajah van Tanjour moest hun zondig werk wel toestaan. De rajah zou dan jaarlijks 2500 gulden krijgen. Dat was dan de belasting van hun inkomen, dat alleen bestond uit diefstal. Het was wel ver gekomen.
Nu moeten we niet denken, dat de kallers die schatting vrijwillig kwamen brengen. O nee, dat geld moest de rajah zelf komen halen, anders zag hij er nooit een cent van. Op de vastgestelde tijd moest een afdeling van het leger er aan te pas komen om met geweld de jaarlijkse schatting in ontvangst te nemen.
Op zekere dag komt de grijze Schwartz van een tocht in het land terug. Zijn helper Kohlhoff ziet hem aankomen en is verwonderd, omdat hij geen wandelstok bij zich heeft. Dat is zijn meester nooit gewend. „Waar is uw stok? " vraagt hij.
„Ik ben per ongeluk bij de kallers terecht gekomen en deze mannen hebben mijn stok afgenomen."
Kohlhoff is woedend en scheldt op de kallers.
„Bedaar wat, mijn zoon, " zegt de zendeling." Onderweg heb ik wat anders bedacht dan schelden. Je moet die mensen beklagen. Het zijn de ellendigste onder de ellendigen. Hoe komen ze ooit vrij uit de banden van de zonde? Ik heb met die mensen te doen en morgen ga ik ze het evangelie verkondigen."
„Dat zult u nooit doen, eerwaarde vader! Denk toch om uw lichaam. Daar bent u te oud voor. Wat zullen uw pogingen uitrichten bij zulke mensen? Het zijn dieven en moordenaars!" Schwartz glimlacht maar even als Kohlhoff zo heftig te keer gaat. Dan zegt hij met vaste stem: „Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. Mijn voornemen staat vast. Morgen ga ik er heen."
„Maar dan zal ik er bij zijn, " spreekt zijn helper met nadruk.
Dat vindt de zendeling goed. De andere morgen gaan ze naar het woeste volk.
Het is een jaar later. De engelse stadhouder van Madras rijdt naar Tan jour. Ze komen dicht bij het gevaarlijk gebergte. Om dit niet te moeten dóórrijden slaat de koetsier een zijweg in en zegt tegen de stadhouder, dat ze maai' liever een omweg kunnen nemen vanwege de kallers.
„Nee, nee, Jonathan, " zegt de stadhouder. „Ze zullen ons niet opeten. Ik wil die mensen eens een bezoek brengen. Ik wil met mijn eigen ogen zien of het waar is wat er verteld wordt van Schwartz. Men zegt, dat er nu een kerk en een school zijn gebouwd. Het evangelie moet die wreedaards overwonnen hebben. Het lijkt wel een sprookje. Kom, Jonathan, we zullen zien wat er van dat sprookje waar is."
De weg ging nu door een woest gebied, langs smalle wegen en diepe kloven. Na een uurtje gereden te hebben, houdt de koetsier stil. Hij wijst met de zweep vóór zich uit en roept: , Meneer, het is geen sprookje. Ziet u die torenspits boven het geboomte uit? Dat moet van de kerk zijn." „Waarlijk, " zegt de stadhouder verwonderd. Ze rijden verder. Het zicht wordt ruimer.
„Kijk daar eens, Jonathan, " begint cle stadhouder. , Zie je die mooie akkers en weiden? Zie je dat vee? Dat moeten de voetsporen van vader Schwartz zijn!"
Verder ging het. De mannen waren een en al verbazing. Op het land zagen ze mannen en vrouwen ijverig aan het werk. Ze zagen er netjes uit. En toen ze van achter een berg kwamen, zagen ze een dorpje liggen.
De huizen waren gebouwd rondom een mooi kerkje. De reizigers konden haast niet geloven dat het werkelijkheid was. Voor de deur van het eerste huis zat een oude man. Dadelijk moest de koetsier stoppen. Beiden stapten uit en de stadhouder begon vragen te stellen aan de oude man. De koetsier deed dienst als tolk.
„Wie heeft alles hier zo netjes en vredig gemaakt? " „De blanke zendeling, " antwoordde de grijsaard en zijn ogen schitterden.
„Ging dat gemakkelijk? "
De man schudt zijn hoofd. „Nee, meneer, wij wilden niets van hem weten. Wij dachten dat hij een spion was."
„En toen? "
„Wij gingen begrijpen, dat hij voor ons kwam, om ons te helpen, om een beter leven te krijgen. Hij was vriendelijk en sprak over God. Deze verbiedt ons te roven. Wij moesten gaan werken en andere mensen niet bestelen. Wij moesten tot Gocl bidden, want wij waren zondige mensen. Toen hebben we het land bebouwd en hebben huizen gezet. De zendeling heeft over God en Zijn Zoon gesproken. Om veel van die God te horen, heeft de zendeling een kerkje gebouwd. Daar gaan we nu heen."
„En roven jullie nu niet meer? "
„Velen niet, maar er zijn er ook nog, die niets van de Heere Jezus willen weten. Die zijn nu kwaad op ons."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 november 1963
Daniel | 8 Pagina's