JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Woord en wereld

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Woord en wereld

8 minuten leestijd

6

De betekenis van de voorbede

Iemand merkte eens op: „wij moeten met anderen niet óver Jezus gaan spreken, voordat wij mèt Jezus over die anderen én onszelf gesproken hebben".

Inderdaad, wij moeten voor de buitenstaanden voortdurend bidden „want dat is goed en aangenaam voor God onze Zaligmaker, welke wil clat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen" (1 Tim. 2).

Als Jezus in Kapernaüm is, dragen vier mannen hun verlamde vriend naar het huis waarin Hij optreedt. Het is er echter zó vol, clat ze niet bij Jezus kunnen komen. Gaan ze clan weer terug? Nee, ze verwijderen de dakbedekking en leggen hun vriend op een matras aan Jezus voeten neer. En clan zegt de Schrift: „Jezus hun geloof ziende, zeide tot de geraakte: „Zoon uw zonden zijn u vergeven".

Jezus vergeeft de geraakte zijn zonden op het geloof van hem én van.... zijn vrienden! Deze priesterlijke plaatsvervanging zien we b.v. ook bij Stefanus en Paulus. Als Stefanus gestenigd wordt, van pijn in elkaar krimpt, bidt hij „Heere, reken hun deze zonde niet toe!" Hij gaat als priester op de plaats staan van hen, die hem stenigen. Paulus „zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees". Hij gaat dus staan op de plaats van zijn volksgenoten, die Jezus Christus verwerpen.

We zien hier mensen de grote Hogepriester navolgen. Want hij ging op de plaats der Zijnen staan en torste hun zonden. Als Hij aan het kruis hangt, bidt Hij voor hen, die Hem kruisigden!: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen".

Luther merkte daarom op:

„Ziet, naar deze regel moet het gaan, dat de goederen, die wij van God hebben ontvangen, van de een naar de ander overvloeien en worden tot gemeenschappelijk bezit; opdat ieder afzonderlijk zich het lot van zijn naaste aantrekke en zich zó ten opzichte van hem moge gedragen, alsof hij stond in diens plaats. Uit Christus zijn zij gevloeid en vloeien zij tot ons; uit Christus, die zó zich ons lot heeft aangetrokken en voor ons zijn werk heeft gedaan, alsof Hij-zelf ware wat wij zijn. Uit ons vloeien zij dan weer tot hen, die ze nodig hebben, in dien zin dat èn mijn geloof èn mijn gerechtigheid voor God moet worden gesteld om de zonden van mijn naaste te bedekken en door bidden de bestraffing ervan te zoeken af te wenden; zijn zonden die ik op mij wil nemen, en er zó mee in arbeid zijn, om mijn naaste daarmee te dienen, alsof het mijn eigen zonden waren. Zó immers heeft Christus voor ons gedaan. Dit toch is de waarachtige liefde en de zuivere regel, te stellen aan het christelijk leven" 1 ).

Legt u de buitenstaancien zó, dagelijks, aan Jezus' voeten neer? Of kiest u voor de goddeloze, liberale stelregel „ieder voor zichzelf en Gocl voor ons allen"? Bent u priesterlijk met de zondenood dei buitenstaanden bewogen, óf hebt u slechts kritiek en minachting voor hen? We zeggen, o zo gemakkelijk!, dat alle mensen in Adam voor God verdoemelijk zijn, maar beleven we dit wel?

Augustinus' moeder, Monnica, vroeg aan een bisschop of hij eens met haar zoon. wilde gaan praten om „mijn dwalingen te weerleggen en mij het kwade af te leren en het goede te leren". Deze bisschop vond de tijd daarvoor nog niet rijp en zei „bid cle Heere voor hem: hij zelf zal door te lezen wel vinden, wat zijn dwaling is en hoe groot zijn goddeloosheid". Maar Monnica bleef, als echte moeder, aanhouden „met overvloedige tranen te smeken" of de bisschop tócli haar zoon wilde ontmoeten. En toen antwoordde hij: „ga weg van mij; zo waar als gij leeft, is het onmogelijk dat een zoon van zulke tranen verloren gaat" 2 ). Lezer(es), dat was gelóófstaal! Want het geloof is een vaste grond van de dingen clie men hóópt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

Vaak, misschien wel altijd, bidden we de Heere om bepaalde dingen, terwijl we in ons hart stilletjes denken: „Hij doet het tóch niet!" Maar de Heere Jezus verbiedt ons clit goddeloze wantrouwen, als Hij gebiedt: „alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden".

Géén hopeloze gevallen

Ook zijn we vaak maar al te licht geneigd om buitenstaanden af te schrijven, als we na veel gesprekken — alléén maar toenemende onverschilligheid of verzet moeten opmerken. We zeggen dan „met hem is niet meer te praten" én de voorbede verstomt. We laten ons imponeren door de muur van ongeloof die voor ons oprijst. Alsof.... God niet meer bij machte zou zijn om deze muur binnen één sekonde door Zijn Woord en Geest tot op de grond toe af te breken!

Immers, voor Hem bestaan er géén hopeloze gevallen! De dingen die bij ons mensen onmogelijk zijn, zijn mogelijk bij onze God. Denk aan Augustinus!

We hebben met de levende God te doen, ook in onze voorbede. Dat blijkt als „zij gebeden hadden, werd de plaats in welke zij vergaderd waren bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige

Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid" (Hand. 4).

Een voormalig evangelisatiepredikant schreef:

„Hoe dikwijls hebben wij niet kunnen constateren dat bepaalde mensen, die volkomen vijandig tegenover het Evangelie stonden (hetzij zij buitenkerkelijk waren, hetzij zij formeel kerkelijk meeleefden), door concreet aanhoudend bidden door Gods Woord zijn overwonnen. Ik heb het eens meegemaakt, dat een hardvochtige hoogmoedige ouderling door een bepaalde kring is kapot gebeden en als een nieuw mens opstond. De verzoeking is echter, dat wij zo gauw verslappen en de moed opgeven" 3 ).

Juist als wij bij onze naasten (en onszelf!) op bergen van ongeloof stuiten, is het een geweldige troost dat alléén de Heere het geloof werkt. Een troost, dat het niet van de buitenstaande afhangt of hij zalig wordt. Want ook dan geldt het soevereine Woord: „Ik zal Mij ontfermen over wien Ik Mij ontferm en zal barmhartig zijn wien Ik barmhartig ben. Zo is het dan niet van degene die wil noch van degene die loopt, maar van de ontfermende God".

Roep Hem dan aan!, Die „machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken". En vergeet dan niet wat we in de Dordtse Leerregels belijden: „door de vermaningen wordt de genade medegedeeld; en hoe vaardiger wij ons ambt doen, des te heerlijker vertoont zich ook de weldaad Gods, die in ons werkt, en zijn werk gaat dan het allerbest voort".

Verkenning

Als Paulus in Athene op de Areopagus voor de eerste keer het Evangelie proklameert, zegt hij „want de stad doorgaande en aanschouwend uw heiligdommen ....".

Voordat hij ging spreken, stelde hij zich dus eerst goed op de hoogte van het geestelijk klimaat, waarin zijn luisteraars leefden. Want hij verkondigde niet een tijdloos of wijsgerig stelsel, maar het Evangelie dat ingaat op de werkelijke nood van mens en wereld.

Daarom moeten ook wij ons terdege op de hoogte stellen van het geestelijk klimaat, waarin de buitenstaanden van 1963 leven. We moeten oog hebben (krijgen) voor de geestelijke en maatschappelijke achtergronden van de toenemende buitenkerkelijkheid. Want als we daar geen oog voor hebben, kunnen we de buitenstaanden ook niet aanvoelen. Om de joden als een jood, de grieken als een griek te kunnen zijn, moeten we weten wie die joden en grieken eigenlijk zijn, wat hen drijft en beweegt.

En dit niet als „stroop om vliegen te vangen", dus niet als een taktische manoeuvre! Nee, dit uit liefde tot de buitenstaande, die hem aanvaardt zoals hij in werkelijkheid is.

Vaak proberen wij de buitenstaanden op óns vlak te trekken. Onechte liefde, gekamoefleerde zelfzucht, neerbuigende hoogmoed enz. zijn hieraan niet vreemd!

We moeten op hun vlak afdalen, in navolging van Hem, Die „de mensen gelijk geworden is in alles, uitgenomen de zonde". De Heere onze God vraagt van ons een radikale zelfverloochening! Welnu, in de komende artikelen hoop ik in te gaan op de geestelijke én sociale achtergronden van de „buitenkerkelijkheid".

Tenslotte: graag kom ik op de hoogte met uw vragen en moeilijkheden op dit terrein. Stellig kunnen wij daarvan allemaal leren. Pakt u uw pen en schrijft u me via de administratie van ons blad? Bij voorbaat reeds hartelijk dank voor uw meeleven!

Als u kritiek of vragen hebt n.a.v. een artikel, stel ik het zeer op prijs die van u te vernemen. Beantwoording van uw reaktie in ons blad is echter alléén mogelijk als u uw brief binnen 2 dagen, na het verschijnen van het betreffende artikel, toezendt aan de administratie. Reakties, welke na deze inzendingstermijn bij de administratie binnenkomen, zullen in het algemeen door mij in een persoonlijk schrijven beantwoord worden.

J. J. Bos.


1) dr C. N. Impeta: „Luthers werken" 1959 p. 164;

2 ) dr A. Sizoo: „Augustinus' Belijdenissen" 1948 p. 59;

3) ds J. Overduin: „Tact en contact" 1958 p. 64.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1963

Daniel | 8 Pagina's

Woord en wereld

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 november 1963

Daniel | 8 Pagina's