Lezers reageren
N.a.v. het antwoord op de reaktie van dhr. S. te K., in het vorige nummer, schreef dhr. J. B. te B.:
„Gods Woord is één worsteling met de mens, zegt U. Dat is een gevaarlijke opmerking. Is God dan ergens een beetje onmachtig? Dat is, na enig nadenken, er wel uit op te maken. Een beetje meer gematigdheid ware ook wel gewenst, als U spreekt over het feit, dat niemand met een onbekende God te doen heeft. Eveneens, als U het bidden tot God zonder beroep op Zijn Woord „één hemeltergende brutaliteit" noemt.
Zeer gevaarlijke uitdrukkingen. Dat we allen God kennen, is waar. Maar die kennis is verdorven, verdraaid, naar het kwade gericht. Vandaar.... dat we door de Geest alleen Hem zullen kennen, zoals Hij is. De Schrift onderscheidt beide; U niet.
Uw opmerking over het beroep op Gods Woord in het gebed kan ik wel verstaan; ik vrees echter van velen., niet. En daarom ware het wenselijk geweest, het wat bescheidener uit te leggen. Begrijpt u?
Tenslotte nog dit. „Bekeert U", zegt u. Juist, maar dan. Iemand, die alsmaar bezig is, zich te bekeren, raakt al verder van het pad. Geen wonder: hij is blind. Dan gaat hij door de Geest bidden (als het werk in Hem uit God is): „Heere, ik moet me bekeren, maar ik kan niet en (bij nadere ontdekking) ik wil niet. Heere, wil U me bekeren? "
Waar de Geest komt, daar wordt het gebod een gebed. Maar daar schrijft u niet nadrukkelijk over".
Gods roeping, ons gebed
In de gelijkenis van het Koninklijke bruiloftsmaal laat de Koning (de Vader) de genodigden (Israël) door Zijn dienstknechten (profeten) tot de bruiloft roepen, maar-... „zij wilden niet komen". Wat doet de Koning dan? Rekent Hij nu meteen met Israël af? (Hij is toch Koning!). Nee, Zijn macht is niet bruut geweld, maar een macht der liefde.
Hij zendt andere dienstknechten (Johannes de Doper) uit met de boodschap „Zie, ik heb mijn middagmaal bereid, mijn runderen en gemeste beesten zijn geslacht...."
Maar als ook déze (tweede) uitnodiging wordt afgewezen, zendt Hij zijn legers en heeft „die doodslagers vernield en hun stad in brand gestoken." Omstreeks 70 n. Christus gaat Jeruzalem in vlammen op!
We zien dat God geen mens met geweld dwingt om tot Hem te komen al werkt Zijn Geest in de inwendige roeping onwederstandelijk. Hij laat zéér dringend nodigen, dit doet Hij door Zijn Woord. Of, zoals Hij Israël (ons? ) verwijt: „wat zij vrezen zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden wat kwaad is in mijn ogen, en verkozen hetgeen waartoe Ik geen lust had" (Jes. 66).
„Alzo werkt ook deze goddelijke genade der wedergeboorte in de mensen niet als in stokken en blokken, en vernietigt de wil en zijn eigenschappen niet, noch dwingt hen met geweld tegen hun dank (wil B.), maar maakt hen geestelijk levend, heelt, verbetert en buigt hen tegelijk liefelijk en krachtiglijk...." i).
En nu openbaart God Zichzelf aan ons in Zijn Woord, Hij laat ons daarin zien wie Hij in én buiten Jezus Christus is. Daarom hebben we niet, zoals de heidenen, met een onbekende God te doen. In het Woord openbaart Hij ons wie wij in Zijn ogen zijn: „er is niemand rechtvaardig, niemand die God zoekt" (Rom. 3). Maar Hij openbaart niet alleen deze diagnose, Ilij openbaart ook het Geneesmiddel: „het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden." Hij roept: „het is volbracht", „komt tot de bruiloft, want alle dingen zijn gereed!", enz.
De heidenen zijn met deze diagnose en dit Geneesmiddel niet op de hoogte, en wij wel. Waaraan hebben we dat te danken? Aan onszelf? Nee, de oorzaak daarvan moet gezocht worden „in het gans vrije welbehagen en de onverdiende liefde Gods; waarom ook degenen, wien buiten, ja, tegen alle verdiensten zo groot een genade geschiedt, haar met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen" 2 ).
Maar. . .. van nature geloven (beamen) wij het Woord Gods niet, we geloven Zijn diagnose én het Geneesmiddel niet. We kunnen ons inbeelden dat we het Woord voor waar houden (Calvijn noemt dit „schijngeloof"), in diepste zin verwerpen wij het Woord! Anders zouden we toch „met een nederig en dankbaar hart" deze „zo groot een genade" erkennen!
Met het Pinksterfeest is de Heilige Geest echter uitgestort en komen wonen in cle gemeente. De Geest, in wiens Naam wij gedóópt zijn, wil ons door het Woorcl aan onze vijandschap ontdekken en onze ogen richten op het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt. Door het Woord, want Paulus vraagt de Galaten „hebt gij de Geest ontvangen uit cle werken der wet of uit de prediking des geloofs? " (Gal. 3). En „prediking" betekent hier: zowel „het horen" als „datgene wat ten gehore wordt gebracht."
Als we door het werk van de Geest het Woord Gods ontvangen zoals het is, „levend en krachtig", dan wordt het gebod een gebed. Zoals David bad „HEERE, Gij hebt geboden, clat men uw bevelen zeer bewaren zal. Och dat mijn wegen gericht werden om uw inzettingen te bewaren!" David luisterde eerst naar het Woorcl („Gij hebt geboden") en toen bad hij („och clat mijn....") Is dit bij ons óók zo?
Wij praten, ook op de vereniging, vaak meer over het Woorcl dan dat we er werkelijk naar luisteren, zoals Samuël „Spreek HEERE, want uw knecht hoort."
Lezen wij de Bijbel iedere dag voor onszelf, luisteren we naar het Woord van God? Of.... is de Bijbel voor u een boek, dat u pakt als u er zin in hebt, dus misschien nooit? Hoe anders is het getuigenis „Ik zal horen wat God de HEERE spreken zal" (Ps. 85)! Hoe anders was het gedrag van de jonge koning Josia, toen de schrijver Safan hem vertelde dat het wetboek in de tempel, dooide priester Hilkia, gevonden was. Hij laat het aan zich voorlezen; terwijl dit gebeurt „scheurt hij zijn klederen", „want de grimmigheid des Heeren is groot, welke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden van dit boek, om te doen naar al wat ons aangaande geschreven is." Dan leest hij zélf aan het volk „al de woorden van het boek des verbonds voor" én bevestigde „de woorden van dit verbond, clie in dit boek geschreven zijn; en het ganse volk stond in dit verbond" (2 Kon. 22, 23).
Lezer(es), ziet u nu wat de H. Geest door het Woord uit-werkt? Wel, het vinden van het Woord, het er naar gaan luisteren, ontzetting voor de toom Gods (omdat we zo lang niet geluisterd hebben) én „betering des levens."
Daarom: „zalig is hij die leest en zijn zij die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren hetgeen daarin geschreven is; want de tijd is nabij" (Openb. 1).
Tenslotte: met dit artikel beëindig ik de beantwoording aan de reakties op de eerste vijf artikelen in de serie „Woord en wereld". Als God wil dat we leven, wordt
deze serie in een volgend nummer voortgezet.
In dank degenen, die reageerden, voor hun belangrijke bijdragen aan het gesprek tussen de lezerskring en ondergetekende. Ook in de toekomst houd ik me aanbevolen voor reakties! Reakties van zeer persoonlijke aard zullen zonder vermelding van uw initialen in ons blad óf (desgevraagd) in een persoonlijk schrijven beantwoord worden. Om kettingreakties te vermijden, zullen reakties op de beantwoording van andere reakties niet in ons blad, maar in een persoonlijke brief beantwoord worden. Uw reakties kunt u toesturen aan de administratie (die deze rechtstreeks en ongeopend aan mij doorzendt), gaarne zo spoedig mogelijk na het verschijnen van het desbetreffende artikel.
J. J. Bos.
1) Dordtse Leerregels hfdst. III, IV par. XVI;
2) idem, idem par. VII.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 oktober 1963
Daniel | 8 Pagina's