Lezers reageren
Dhr. G. J. te W. schrijft:
„In uw artikelen „Woord en wereld" zegt u steeds dat we aan de buitenkerkelijken de Heere Jezus moeten verkondigen. Ik ben dat niet met u eens. Er zal eerst voor Hem plaats gemaakt moeten worden door de Heilige Geest. Éérst zal men overtuigd moeten worden van zijn diepe doodstaat, aleer men gaat uitzien naar die dierbare Borg en Zaligmaker. We zullen de buitenkerkelijken eerst moeten wijzen op de noodzakelijkheid der waarachtige wedergeboorte, dat hij tot God bekeerd moet worden".
Woord en Geest
Inderdaad, van nature is er bij ons — helaas! — géén plaats voor Jezus. Daarom is er ook geen plaats voor.... de Heilige Geest. We mogen nimmer het werk van de Geest scheiden van de Persoon van Jezus Christus, want „Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen". De Heilige Geest is de Geest van Christus en maakt „door een waar geloof Christus en al zijn weldaden deelachtig" (antw. 53 II.C.) De Geest werkt niet buiten de mens om, Hij werkt „door een waar geloof".
Het werk des Geestes mag evenmin gescheiden worden van de verkondiging des Woords. Het Woord is (ook) het Woord des Geestes. Daarom noemt Paulus de Woordverkondiging „de bediening des Geestes" (2 Kor. 3:8). Daarom vraagt hij de Galaten „hebt gij de Geest ontvangen uit (tengevolge van) de werken der Wet of uit (tengevolge van) de prediking des geloofs? ". Daarom zegt Stefanus, als men zijn prediking afwijst, „gij wederstaat altijd cle Heilige Geest, gelijk uw vaderen, alzo ook gij!".
Dat de Geest niet gescheiden kan worden van het Woord, zien we heel duidelijk als Ezechiël aan dorre beenderen het Woord brengt. Terwijl hij profeteert (niet daarvóór), onstaat er een geruis, een beweging, „de beenderen voegden zich aaneen".
Beseffen we dit wel, als we de Bijbel lezen, luisteren naar de prediking en het Woord aan buitenstaanden brengen? ?
Nu hebben we de buitenstaanden zowel op zijn zonde als (tegelijkertijd) op de Verlosser te wijzen, omdat het Woord dit zelf doet. Dit wijzen op de zonde mag maar niet in het vage gebeuren — b.v. „u bent een zondaar" —, want dat wil men desnoods nog wel aanvaarden. Nee, we moeten de zonde a.h.w. met de vinger aanwijzen. Jezus zei niet tot de samaritaanse vrouw „u bent een zondares". Nee, Hij beval „ga heen, roep uw man en kom hier". Hij wees a.h.w. de zonde met naam en toenaam aan, de zonde waarin ze lééfde. Alvorens Hij hiermee begon, sprak Hij eerst over het „levende water". Hij behandelde haar weer anders dan Nieodemus, tot wie Hij zei „Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien". Niettemin wees Hij zowel de samaritaanse vrouw als Nieodemus op hun zonde en — tegelijkertijd — op Zichzelf en Zijn barmhartigheid.
Als Hij een gedachtenstelsel, een systeem, of een theorie had verkondigd, dan had Hij de samaritaanse vrouw op dezelfde manier aangesproken als dat hij bijv. Nieodemus aansprak. Dit zien we b.v. heel duidelijk bij de Jehovahgetuigen en zoveel anderen, wier ééntonige getuigenis er blijk van geeft dat het hen om het „systeem" gaat, en niet om het levende getuigenis van Jezus Christus dat bedoeld is voor de mens in geestelijke doodsnood.
Het komt helaas voor dat men buitenstaanden op hun zonden wijst en hen tot naleving van de Wet tracht te bewegen, zónder hen op de oorzaak van hun zonden — nl. hun ongeloof — te wijzen. Denk b.v. aan het streven van de „Morele Herbewapening" en zovele anderen.
Helaas komt het ook voor dat men buitenstaanden op hun zonden wijst, zónder hun tegelijkertijd — zoals Paulus deed — „Jezus Christus voor de ogen te schilderen." Men vergeet dan dat de goedertierenheid van God tot bekering (boetvaardigheid) leidt (Rom. 2).
We zien in deze tijd ook het droevige verschijnsel dat men Jezus Christus aan buitenstaanden verkondigt, zónder hen tegelijkertijd met het zwaard des Geestes (het Woorcl) te verwonden, zónder hun vijandschap tegen de Gekruisigde a.h.w. met de vinger aan te wijzen. Als men zó te werk gaat, verkondigt men in feite Jezus Christus niet, want Hij is nog steeds Verlosser en Zaligmaker van zondaren.
In het voorgaande heb ik enkele wegen laten zien, die in de praktijk vaak gevolgd worden. Ze hebben alle één ding gemeenschappelijk: in diepste zin „sparen" ze de mens, laten hem met „rust". Het zijn alle dwaalwegen, omdat hierdoor buitenstaanden afgehouden worden van: de Weg, de Waarheid en het Leven.
Laat voor óns vaststaan: „Ik heb voorgenomen niets anders te weten onder u dan Jezus Christus en dien gekruisigd".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1963
Daniel | 8 Pagina's