Een bladzijde voor en van onze jeugd
UIT HET LEVEN EN LIJDEN DER WALDENZEN (Slot)
Het zal nog een paar dagen duren eer Le Maitre weggaat. In deze dagen proberen Hubert en Gabriëlle een brief samen te stellen, hoewel dit niet gemakkelijk is. Hubert wil alles aan zijn vader schrijven, maar toch kan hij hem het lijden en sterven van moeder en Henri niet vermelden. Hij denkt dat zijn vader, als hij nog leeft, dan te hevig zal schrikken. Maar als Le Maïtre weggaat kan hij toch een dikke brief meenemen naar La Fléchère.
In de tijd dat Le Maitre weg is, is Hubert veel in gezelschap van de jonge graaf, en Gabriëlle in de nabijheid van Isabelle. Hubert en Philippe spreken veel over de godsdienst der Waldenzen. Eens neemt Philippe hem mee naar de kapel en vertelt hem wat ze hier doen. Na afloop vraagt Philippe hem of hij het goed vindt. Hubert vertelt hem naar aanleiding van enkele teksten uit Gods Woord, dat wat ze doen, niet goed is, wanneer ze het niet doen zoals de Heere het Zelf geleerd heeft. Na zulke gesprekken is de jonge graaf soms enige dagen in zichzelf gekeerd, maar dan gaat het leven van elke dag weer zijn gewone gang. Een enkele keer komt de ernst wel weer eens in Philippe boven en dan knoopt hij weer een gesprek aan. De avonden worden meest doorgebracht in gezelschap van de oude gravin en ook die avonduren kenmerken zich door onderhoudende en leerrijke gesprekken op allerlei gebied. Zo verstrijkt er dag na dag. Reeds veertien dagen is Le Maitre al weg. De kinderen beginnen ongerust te worden. Maar eindelijk, op de zestiende dag na zijn vertrek, komt hij terug. Hij brengt de brief ongeopend mee terug, met het bericht dat Pierre de Beauvoisin bij de verwoesting van St. Madeleine is omgekomen. Dit hadden de kinderen wel verwacht, maar nu hebben ze zekerheid. Oom Pascal leeft nog, die had zich dadelijk na de verwoesting van St. Madeleine naar La Fléchère gespoed en heeft daar de overgeblevenen rondom zich verzameld. Vandaar zijn ze vertrokken naar een naburige vallei, waar ze voor goed hopen te blijven en die ze „Vallei der Hoop" hebben genoemd. Daar zullen Hubert en Gabriëlle zich met hen kunnen verenigen. Met de gravin wordt afgesproken dat ze na enkele dagen zullen vertrekken. Mijnheer Le Maitre zal ze naar La Fléchère brengen, vandaar zal een vriend van hem hen verder brengen naar de Vallei der Hoop, dus behoeven ze niet bang te zijn, dat ze zullen verdwalen.
De bepaalde dag breekt aan. De gravin, Isabelle en Philippe overladen de reizigers met geschenken. De oude muilezel, die zo'n rustige tijd heeft gehad, wordt opgezadeld, bovendien schenkt de oude gravin hun nog één van haar beste muilezels. Zo zijn allen gereed om te vertrekken. Weer kunnen Hubert en Gabriëlle geen woorden genoeg vinden om hun dank uit te spreken. Met tranen in de ogen nemen ze afscheid van de grafelijke familie, ook van mevrouw La Beaume en de lakei en nadat mevrouw de gravin hen nogmaals verzekerd heeft, dat ze bij haar altijd een veilige schuilplaats kunnen vinden, gaan ze op weg.
Na enkele dagen zien ze de Vallei der Hoop voor zich; heerlijk gelegen in het gebergte, doorsneden door een riviertje en omzoomd door bossen schijnt het een liefelijke rustplaats te zijn. Weldra hebben ze het huis van oom Pascal bereikt en worden daar hartelijk ontvangen. Het is voor Hubert en Gabriëlle weer heerlijk om tussen hun eigen familie te zijn, maar daardoor worden ze ook dubbel herinnerd aan het verlies dat ze hebben geleden. Wel vermindert de smart in de loop der tijd maar het toneel onder de grote beuk, waar hun moeder en de kleine Henri zijn gestorven, vergeten ze heel hun leven niet. Ook de heerlijke lessen, waarin Gods Geest hen heeft onderwezen, werken in als een zoutend zout op heel dat leven. Gabriëlle wordt de hulp van haar tante en trouwt later met een lid uit de gemeente van haar oom. Ze mag heel haar verdere leven zonder vervolging in de vallei wonen.
Hubert hervat zijn studie voor predikant en doet na enige jaren met goed gevolg examen voor het college der barben (zo worden de predikanten der Waldenzen genoemd) en wordt eerst hulpprediker bij zijn oom in de Vallei der Hoop.
Op zekere dag ontvangt Hubert een brief van Philippe, graaf de Jeanvilliers. Daarin schrijft hij, dat hij met veel van zijn onderdanen is overgegaan tot de godsdienst der Waldenzen. Hij heeft niet ver van het kasteel een kerk laten bouwen en een pastorie en nu beroept hij zijn vriend Hubert als leraar op die nieuwe standplaats. Na overleg met zijn oom, maar vooral na ernstig gebed tot de Heere neemt hij deze roeping aan. Op de bepaalde tijd wordt Hubert de Beauvoisin door zijn oom tot predikant bevestigd. Hij mag er genieten van de gunst Gods en van de gunst der mensen. Ook de oude Marco en zijn vrouw mogen dit nog, op zeer hoge leeftijd, beleven en zo vaak Hubert hen ontmoet bespreken ze samen hoe de Heere Zijn belofte waar heeft gemaakt: „Die zal verlaten huizen en akkers om Mijns Naams wil, zal zevenvoudig ontvangen in het koninkrijk der hemelen."
Dit was dan het verhaal van een Waldenzenfamilie, maar vooral van twee kinderen, die zo dicht bij de Heere mochten leven. Mochten wij ook proberen, die genade te verkrijgen.
Wim Boone - Oostburg
Nu Wim, we vinden het echt jammer dat je verhaal uit is. Je hebt ons tot het laatst nieuwsgierig gehouden hoe of het af zou lopen. Ik dank je hartelijk voor dit mooie lange opstel. Ik begrijp dat je het met je studie erg druk hebt en niet regelmatig meer opstellen kunt sturen. Toch hoop ik dat ik nog eens iets van je hoor. En wie is nu de volgende die een vervolgverhaal gaat verzorgen? ? Misschien zijn er wel die thuis een oud verhaal hebben, dat ze na willen vertellen. Nu dan krijgen die er gelegenheid voor. Haal papier en pen en begin maar. Ik ben benieuwd wie de eerste zal zijn, van wie ik een verhaal krijg
Nu volgt een opstel over:
IGNATIUS, DE BISSCHOP VAN ANTIOCHIE
In Antiochië wordt een gevangene bij keizer Trajanus gebracht, het is Ignatius de bisschop van de stad; hij is een leerling geweest van de apostel Johannes. „Wie zijt gij, boze geest, die het durft om mijn wetten te overtreden? " zo vraagt de keizer. Onbevreesd ziet Ignatius de keizer aan en zegt: „Dat ben ik niet, ik ben een Godsdrager". „Een Godsdrager, dat weet ik niet wat dat is", antwoordt Trajanus, „wat is dat voor een mens? " „Een Godsdrager, o keizer is iemand, die God in zijn hart draagt", luidt het simpele antwoord. De keizer spot met dit antwoord en veroordeelt Ignatius om in Rome voor de wilde dieren geworpen te worden. Dan komt er een blijmoedige trek op het gezicht van de grijsaard, hij vouwt de handen en roept uit: „O, Heere, ik dank U, dat ik evenals vroeger Paulus, geboeid naar Rome gevoerd mag worden". Hoe wonderlijk is het toch, dat Ignatius helemaal niet bang is om te sterven. De boot, waarmee Ignatius naar Rome gevoerd wordt, legt ergens in een haven aan, dan komen de Christenen uit de omtrek afsoheid nemen van hun geliefde leraar. Voor goed moeten ze afsoheid nemen van hem, alleen de ware Christenen niet, die zullen hem in de hemel weerzien en met hem eeuwig God groot maken. Wanneer de boot in Smyrna aanlegt komt ook de oude Polycarpus afscheid van hem nemen. Het lijkt voor Ignatius wel een zegetocht deze reis naar Rome. In Rome aangekomen willen de Christenen van de stad nog pogingen doen om hem vrij te krijgen, maar dat wil Ignatius niet. Hij zegt: „Doe dat tooh alstublieft niet, ik verlang naar mijn Zaligmaker en ik ben niet bang voor de wilde dieren". Dan wordt hij in de arena gebracht. Duizenden toeschouwers vullen de banken rondom. Ze zien de dienstknecht des Heeren staan, die zij aan de dood hebben overgeleverd, net eender als vroeger de mensen de Heere Jezus overgeleverd hebben aan het vloekhout des kruises. Dan worden de deuren van de leeuwekooien geopend en springen de leeuwen brullend op die grijze leraar aan. Even een gruwelijk ogenblik en Ignatius is bij de Heere Jezus en daar zal eeuwige blijdschap zijn deel zijn. Enige vrienden sluipen enige uren later de verlaten arena binnen. Wat willen ze? Wel, ze willen de beenderen van hun geliefde leraar hebben: deze nemen ze mee naar Antiochië en daar, in de gemeente, die hij zo lang heeft mogen dienen, worden ze begraven. Daar zullen ze rusten tot de grote dag, dat de Heere zal verschijnen op de wolken des hemels, om te oordelen de levenden en de doden.
Simon Rietdijk - Spijkenisse
Dit is het laatste opstel Simon, dat ik van jou had. Jij hebt er in de achterliggende jaren al heel wat geschreven. Ik hoop niet dat dit de laatste voor „Daniël" geweest is. Ik mag toch zeker wel weer wat van je tegemoet zien? Trouwens, dit vraag ik aan al mijn jonge lezers en lezeressen. Jullie laten me toch zeker niet in de steek. Deze bladzijde is voor en van jullie, hoor, zorg er voor, dat deze pagina van jullie blijft. De ruimte is nu vol, ik ga er gauw een punt achter zetten. De hartelijke groeten en tot schrijvens.
C. de Bode - Dirksland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1963
Daniel | 8 Pagina's