JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Vragenrubriek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenrubriek

3 minuten leestijd

De M.V. te D. stelt een vraag naar aanleiding van 2 Korinthe 16 : 14. Het gaat daar over Koning Asa en we lezen daar van hem: En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad Davids en legden hem op het bed, hetwelk hij gevuld had met specerijen en dat van verscheidene soorten, naar de apothekerskunst toebereid, en zij brandden over hem een gans grote branding.

De M.V. vraagt nu: „Hoe ging dit toe en mocht dit zo maar. Onder ons wordt altijd gezegd, dat bloemen op een graf verkeerd is, omdat men het erge van de dood daardoor verbloemen wil. Hoe kunnen wij dit dan in overeenstemming brengen met het boven aangehaalde? " Tot zover de vraag van deze vereniging. Er staat hier dus van koning Asa, dat zij hem na zijn sterven legden op het bed, hetwelk hij gevuld had met specerijen. Wij behoeven hier niet uit op te maken, dat Asa zelf dit bed voor zijn sterven in gereedheid had gebracht. Immers het woordje „hij" mag men overeenkomstig de Hebreeuwse taal rustig vervangen door „men". Dus zij legden Asa's dode lichaam op een bed, een soort doodsbaar, dat men gevuld had met specerijen.

Dit was een Oosterse gewoonte}, die op zichzelf niet veroordeeld behoeft te worden. We lezen daar meermalen van in de Schrift. Ik denk in dit verband, om maar één voorbeeld te noemen, aan Jozef, van wie we ook lezen, dat hij gebalsemd werd en denk hier ook aan de vrouwen, die op de zondagmorgen na het sterven van de Heere Jezus naar het graf gingen met specerijen, met de bedoeling om hun dode Jezus te balsemen.

En dan lezen we hier ook „En zij brandden over hem een gans grote brap-< ding....".

Dat wil zeggen, dat zij hem bij zijn begrafenis vereerden met het branden van kostelijke en welriekende specerijen.

We lezen in 2 Kronieken 21 : 19, dat het volk bij koning Josafat, toen hij onder het oordeel Gods werd weggenomen, geen branding maakte „zoals de branding zijneer vaderen". Hier blijkt dus, dat het een algemene gewoonte was, om bij de begrafenis, vooral van aanzienlijke personen en vorsten, specerijen te verbranden.

Dat deze gewoonte door de Heere niet veroordeeld werd, bemerken we uit Jeremia 34 : 5, waar Jeremia in de naam des Heeren tot koning Zedekia mag zeggen: Gij zult sterven in vrede en naar de branden voor Uw vaderen, voor de vorige koningen, die vóór U geweest zijn, alzó zullen zij voor U branden en U beklagen, zeggende: ch heer".

Men vergete ook niet, dat in het zeer warme Oosten een lijk zeer spoedig een doodsreuk gaat verspreiden, wat dan tegengegaan werd door het verbranden van deze specerijen. Daarnaast was het ook een eerbetoon.

Deze gewoonte lag dus wel even anders dan het leggen van bloemen op een graf. Dit wordt door ons terecht als een wereldse gewoonte veroordeeld, omdat hier het beginsel der wereld achter ligt, om, daar men van de dood niet wil weten, hierdoor het ontzettende van de dood te verbloemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1963

Daniel | 8 Pagina's

Vragenrubriek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1963

Daniel | 8 Pagina's