Een bladzijde voor en van onze jeugd
Uit het leven en lijden der Waldenzen (X)
Gabriëlle kan onmogelijk het bed verlaten. De oude boerin is met veel middelen bekend en daarom is zij voor Gabriëlle dokteres en verpleegster tegelijk. Langzaam, na vele weken, waarin ze met zware zenuwkoortsen heeft geworsteld, herstelt ze en niemand is zo blij als Hubert wanneer zijn zuster weer kan opzitten. Opnieuw wordt er met de oude boer en zijn vrouw over gesproken hoe en wanneer ze verder zullen reizen om iets meer te weten te komen van hun vader en verdere familieleden. „Kinderen, " zegt Marco, de boer, „jullie moeten hier blijven, de reis is te moeilijk voor jullie en ook omdat de gravin jullie in bescherming wil nemen tegen je achter-volgers. Ik kom iedere week op het kasteel en heb van jullie verteld. Dus nu Gabriëlle weer opgeknapt is zal ik jullie volgende week naar het kasteel brengen dan kun je daar afwachten om naar La Fléchère te gaan.
Eindelijk is dan de dag aangebroken dat ze de oude boer en bcerin gaan verlaten. Lange tijd zijn ze er geweest. De winter is inmiddels uitgewoed. De lentezon werpt haar eerste stralen op de aarde en onder deze omstandigheid nemen Hubert en Gabriëlle afscheid. Ze kunnen hun dankbaarheid niet met woorden uitdrukken, want zo goed zijn deze oudjes voor hen geweest. Ze groeten de boerin hopende haar nog eens terug te zullen zien.
Daarna gaan ze met de oude Marco op weg. De omgeving van La Chime is mooi, vooral nu de weiden met allerlei bloemen prijken en het landschap weer opfleurt na de zware winter. Eindelijk komen ze in een wijde grasvlakte waar runderen grazen. Even verder vormt de weg een scherpe bocht en eensklaps zien de wandelaars het prachtige kasteel van De Jeanvilliers. De trotse torens schijnen zich in de voorjaarszon te verheffen. Marco, die hier uitstekend de weg weet, brengt hen naar de dienstbcdenkamer, terwijl hij zelf hun komst aan de hofmeester gaat melden. Niet lang behoeven Hubert en Gabriëlle te wachten, want na enkele minuten verschijnt de hofmeesteres, mevrouw La Beaume. Ze groet de kinderen en vraagt naar alle dingen die ze beleefd hebben. Daarna brengt ze hen naar een klein kamertje, zo mooi gemeubileerd als de kinderen der Waldenzen nog nooit gezien hebben. Ze krijgen hier een verkwikkende maaltijd voorgezet, terwijl mevrouw La Beaume vertelt dat mevrouw de gravin hen niet voor de volgende morgen kan ontvangen, 't Is intussen laat geworden en vooral Gabriëlle is moe van de tocht; na de maaltijd gaan ze dan ook gauw naar bed.
De volgende morgen moeten ze afscheid nemen van Marco. De oude man heeft tranen in de ogen als hij hen de hand drukt. Dan gaat hij weg. Mevrouw La Beaume neemt Hubert en Gabriëlle mee naar haar eigen kamer om daar het ontbijt te gebruiken. Rond half tien gaan ze naar de gravin; ze moeten even wachten in een soort wachtkamer, daarna doet een lakei de deur van de woonkamer open en daar treden ze binnen met de hofdame. Aan een brede tafel in het midden van de kamer zit de gravin. Verder zijn er nog twee kleinkinderen van de gravin, Philip en Isabella, aanwezig. De gravin staat op en nodigt haar jonge gasten te gaan zitten. Ze vraagt Hubert haar eens al hun belevenissen te vertellen. Na zijn verhaal, waarin Gabriëlle enkele verduidelijkingen heeft gegeven, zijn de dames erg ontroerd en tot tranen bewogen. „Mevrouw de gravin", gaat Hubert verder, „we willen ons naar La Fléchère begeven. Daar hopen we vader te ontmoeten of iets van hem te horen en als U het goed vindt zouden we graag zo vlug mogelijk vertrekken." „Ik heb jullie een ander voorstel te doen", zegt de gravin, „mijn rentmeester, Le Maïtre, moet over enige dagen naar La Fléchère. Blijft zolang hij weg is bij mij, hier op het kasteel, dan kan Le Maïtre voor jullie inlichtingen inwinnen en als hij terugkomt zullen we verder zien.
(Wordt vervolgd)
De paarden (vervolg)
En eenzaam stonden, in de kring Der pas geploegde aarde, Geweldig in de schemering En donker de drie paarden.
Drie paarden aan de zware reel, Die van de lijve dampen, Die zich verzetten in 't gareel, Die steigeren, die stampen.
Drie paarden, driftig in de toom, Waarvan de lange rnanen Bewegen voor de hemeltroon, Als somber oproervanen.
Drie paarden, en de wijde lucht Rondom hen, en de bomen Die in de avond dromen En dan een late vogelvlucht.
Die men vanaf de waterkant En over alle dijken Ziet wijken en ziet wijken In 't Zuid, in Zuid-Beveland.
Jan Prins.
Zo jullie weten zijn dit de laatste vijf verzen van dit gedicht. Het werd opgestuurd door Corry van Fraassen uit Waarde. Dan volgt hier nog een klein stukje over:
De twaalfjarige hevelhebber (slot)
Het plan van de jonge Frederik Hendrik werd aan prins Maurits voorgelegd. Hij knikte en ging direct met zijn officieren krijgsraad houden. Het plan werd goedgekeurd. Maurits zei tegen z'n jonge broer: „Jij wordt nog eens een bekwaam veldoverste." Het krijgsplan werd nu goed voorbereid, de nacht werd bepaald en de soldaten uitgekozen. De rest van de soldaten zou in de vesting blijven of patrouilleren. De dag voor de aanval kwam de boodschap binnen, dat de graaf van Mansveld weer een poging deed om de stad te ontzetten. Maurits trok met het grootste deel van zijn troepen hem tegemoet en sloeg de aanval af. Toen de duisternis gevallen was kwam het Staatse kamp tot leven. De soldaten begaven zich naar de aangewezen boten; enige soldaten boomden en de anderen hielden hun musketten klaar. Éénmaal dreigde de aanval te mislukken, dat was toen een Spaanse schildwacht naderde. De mannen hielden zich doodstil, terwijl de aanvoerder uit de boot ging en de vijand besloop. Het gelukte hem de Spanjaard te overrompelen. Zo bereikten ze ongemerkt de stad en deden opeens een felle aanval. Niemand had hier op gerekend. Grote verwarring bij de Spanjaarden en van die verwarring maakten Maurits' soldaten gebruik; het gelukte hen binnen de stad te komen; hier deden zich nog enkele vechtpartijen voor, maar tegen de ochtend was de stad in Staatse handen. Geen dode was er bij hen gevallen en slechts een enkele was lichtgewond. De volgende dag deed Prins Maurits zijn intocht in de stad. Maar aan het hoofd van de troepen reed als de overwinnaar de twaalfjarige Frederik Hendrik.
Gert van Stempvoort — Veenendaal.
Bedankt Gert voor je mooie opstel. Schrijf je me spoedig weer eens? Dan volgt er nu nog een bijbels opstel, getiteld:
Isaük geboren, Ismaël weggezonden
Sara baarde Abraham een zoon en hij noemde hem Isaak. Als Isaak acht dagen oud was werd hij besneden. Abraham was al honderd jaar oud toen Isaak geboren werd. Sara's dienstmaagd, Hagar, had Abraham ook een zoon geschonken, deze heette Ismaël. Sara had gezien dat Ismaël wel eens lelijk deed tegen Isaak. Daarom zei ze tegen Abraham: „Abraham, luister eens, zou je Hagar en Ismaël niet wegzenden, want ik heb gezien, dat ze wel eens lelijk doen tegen Ismaël." Eerst wilde Abraham niet luisteren naar Sara, maar in de nacht kwam de Heere tot hem en zei: „Abraham, je moet luisteren naar je vrouw en je moet doen wat ze zegt." De andere morgen zei hij tegen Hagar, dat ze moest vertrekken. Ze keek wel een beetje verdrietig toen ze het hoorde, maar ja, het moest. Ze kreeg een fles water mee en toen ging hij met Ismaël de woestijn in. Op een keer, toen Ismaël moest drinken, zei z'n moeder: „Er is geen water meer." Ze keek om zich heen en toen ze een eindje verderop een paar struikjes zag staan, legde ze haar jongen daaronder en zelf ging ze een eind verderop zitten, opdat zij het sterven van haar lieveling niet zou zien. Toen ze daar zat hoorde ze de stem van een engel.
„Wat is er Hagar? Vrees niet, want God heeft de stem van de jongen gehoord. Ik zal hem tot een groot volk maken." Hagar hief haar hoofd op en toen zag ze ineens een waterput. Gauw vulde zij haar fles en snelde naar haar jongen. Ja, hij leefde
(Zie vervolg pag. 40)
VERVOLG VAN ACHT TOT ZESTIEN
nog. Zij tilde zijn hoofd op en gaf hem te drinken. Toen fleurde hij weer op en trok met zijn moeder verder de woestijn in. Hij werd boogschutter. Later is hij met een Egyptisch meisje getrouwd.
Bep Vroegindeweij, Sommelsdijk.
Ook jij bedankt, Bep. Jongelui, ik zou graag wat opstellen van jullie willen hebben. Zoek wel een onbekende geschiedenis op. Het bekende uit de kerkgeschiedenis b.v. heb ik wel gehad. Ik heb nog drie opstellen over Augustinus, maar daar heeft al eens eerder iemand over geschreven, dus die plaats ik niet meer. Zoek maar eens. Voor dit keer weer allen hartelijk gegroet.
C. de Bode — Dirksland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1963
Daniel | 8 Pagina's