OOGSTTIJD
I
De landman tilt zijn garven op de wagen, de schoven worden ruisend neergevleid. De paarden slaan naar vliegen die hen plagen en gaan gewillig waar de knecht hen leidt.
Zij oogsten in de warme zomerdagen wat 't land door zion en regen had bereid; 't gewas werd wel door wilde wind geslagen, maar gaf toch vrucht op de verbeide tijd.
Nu rust de landman als het schaftuur slaat en ziét de zomerweelde van zijn landen, de leeuwerik, die juichend hoger gaat.
Hij hoort heel ver het ruisen op de stranden. Dan richt hij naar het pejilloos blauw 't gelaat en poogt te danken met gevouwen handen.
II
Hij had bij 't zaaien van zijn zaad gebeden, maar was hij waardig dat een oogsttijd kwam? Had hij de oorlog niet verklaard in Eden, toen hij voor zich het oppertoezicht nam?
Hij was een loot van de verdorven stam. Hij richtte naar 't verboden goed zijn schreden. Hij warmde zich bij zelfontstoken vlam, en had voor eigen goed en eer gestreden.
Nu voert hij 't rijpe graan naar d' open schuur. De wagens kraken van de last der schoven. Een leeuwerik hangt in het hoog azuur
en kan niet anders dan zijn Schepper loven. Wat gaat dit diertje velen ver te boven: de mens blijft stom bij d' dogst, het dankensuur.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 augustus 1963
Daniel | 8 Pagina's