JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Overdenking tijdens de vakantie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Overdenking tijdens de vakantie

7 minuten leestijd

De Heilige Schrift wijst duidelijk aan, hoe de aardse goederen op de juiste wijze gebruikt moeten worden. En dat is een zaak, die noodzakelijk is bij een recht christelijke wandel. Immers, om te leven, moeten wij gebruik maken van hetgeen nodig is tot onderhouding van het leven en we kunnen zelfs zulke dingen niet vermijden, die meer schijnen te dienen tot veraangenaming dan dat zij noodzakelijk zijn. Het komt er dus vooral op aan, dat wij een juiste maatstaf weten te verkrijgen om ze met een rein geweten te gebruiken, hetzij ter vervulling van onze behoeften, hetzij tot ons vermaak.

Deze maatstaf geeft de Heere ons in Zijn Woord, als Hij ons leert, dat dit leven voor de Zijnen een reis is naar het hemels vaderland. Als dit leven slechts een doortocht is, dan is het duidelijk dat wij de goederen er van slechts zó mogen gebruiken, dat zij onze reis eer bevorderen dan stremmen. Daarom geeft Paulus ons de raad (1 Cor. 7 : 1) vv.) de wereld te gebruiken, die niet misbruikende, en te kopen als niet bezittende. Maar omdat dit een moeilijk standpunt is, waarvan men gemakkelijk naar verschillende kanten kan afdwalen, zullen wij trachten een vast steunpunt voor onze voet te bekomen.

Er zijn lieden geweest, overigens goede trouwhartige zielen, die zich er verstoord over maakten dat overdaad en onmatigheid steeds teugelloos voorttuimelen, en omdat zij dit gevaarlijk kwaad gaarne wilden te keer gaan, vonden zij daartoe geen ander middel, dan te zeggen, dat de mens slechts het noodzakelijk gebruik der aardse goederen vergund is. De bedoeling hiervan was wel goed, maar de maatregel ongemeen streng en zeer gevaarlijk; want op die wijze werd het geweten binnen engere grenzen beperkt dan in Gods Woord wordt geleerd. Men moest zich dus volstrekt onthouden van alles, wat men ontberen kan en men mocht, als men daarnaar handelde, nauwelijks iets meer nuttigen dan dagelijks brood en water. Nog strenger was de oude wijsgeer Crates van Thebe, die zijn schatten in de zee wierp, omdat hij meende dat ze hem in het verderf zouden storten, als hij ze bleef behouden. Anderen daarentegen zoeken een voorwendsel om de begeerlijkheid van het vlees te bemantelen en zijn toenemende weelderigheid te bevorderen. En dezen veronderstellen als aangenomen, wat ik hun niet toegeef, dat de vrijheid in uitwendige dingen geen beperking nodig heeft maar dat aan ieders geweten moet overgelaten worden, hoever hij zijn vrijheid wil uitstrekken. Nu kan en mag, wel is waar, het geweten niet aan vaste en stipte voorschriften gebonden worden, maar als de Heilige Schrift enige algemene bepalingen omtrent het gebruik der aardse goederen vaststelt, moeten wij ons daarnaar richten.

Hier geldt dan vooral de stelling, dat alle gebruik der gaven geoorloofd is, als het beantwoordt aan het doel, waartoe de Schepper Zijn gaven geschonken heeft, aangezien Hij die tot heil en niet tot nadeel gegeven heeft.

Wij zijn daarom ongetwijfeld op de rechte weg als wij het doel der gaven steeds in het oog houden. Als wij dus onszelf afvragen waartoe het voedsel geschapen is, zullen wij bevinden, dat het niet alleen moet strekken om onze behoeften te stillen, maar ook gegeven is tot onze verkwikking en tot ons genoegen (Ps. 104 : 14 en 15).

Evenzo beoogt Hij met de kleding niet alleen onze nooddruft, maar ook onze sier en onze tooi. Gras, kruiden en vruchten dienen tot verscheidene doeleinden, maar ook om ons door het gezicht en de aangename geur te verlustigen. Als dat niet zo was, zou de Psalmist niet onder de weldaden van God rekenen, dat de wijn het hart des mensen verheugt en zijn aangezicht doet blinken van olie; dan zou de Heilige Schrift niet in zovele plaatsen de lof van God vermelden, omdat ons dat alles door Hem geschonken is. De gaven der natuur zelf tonen ons duidelijk genoeg, waartoe en in hoeverre wij er ons van bedienen mogen. Of zou God zulk een uitnemende schoonheid en een zo

aangename geur geschonken hebben, opdat wij ons zouden bezondigen door ons in de schoonheid ervan te verlustigen? Of is Hij het niet, die de kleuren zo geschakeerd heeft, dat de één de fraaiheid van de ander verhoogt? Is Hij het niet, die aan het goud en zilver, aan het marmer en ivoor Zijn glans verleende, opdat het kostbaarder zou zijn dan andere metalen en gesteenten?

God heeft dus Zelf vele dingen voor ons begeerlijk gemaakt, ofschoon zij niet rechtstreeks tot de lichamelijke behoefte en voeding nodig zijn. Men doe afstand van die armhartige en kleingeestige eigenwijsheid, die slechts het noodzakelijk gebruiken der aardse dingen wil veroorloven en ons het genot ontzegt ons te verheugen in Gods weldaden. Deze toch kan de mens slechts tot een gevoelloze klomp vernederen.

Maar niet minder moeten wij de zinnelijke lusten bestrijden, die alle betamelijkheid te buiten gaan zo zij niet onderdrukt worden, en wier voorstanders onder de naam van geoorloofde vrijheid alles voor geoorloofd houden. Zij worden voornamelijk gebreideld door cle gedachte, dat ons alles geschonken is, opdat wij daarin de Gever erkennen en Zijn goedheid prijzen door dankbaarheid.

Maar waar is die dankbaarheid als gij overdadig eet en drinkt zodat gij vadsig wordt en ongeschikt om uw plicht jegens God en uw beroepsbezigheden naar behoren te vervullen? Waar is de erkentelijkheid aan God, als het vlees door overdadige zucht tot genot opzwelt, en de geest met zijn onreinheid bezoedelt, zodat hij volstrekt geen gevoel meer bezit voor recht en gerechtigheid?

Waar is de dankbaarheid aan God, als wij onze fraaie klederen bewonderen en anderen afkeer inboezemen? Of als wij door onze klederdracht de wellust opwekken? Is dat erkentelijkheid aan God, als de geest zich verliest in ijdele glans? En toch geven velen zich zozeer over aan hun geliefkoosde neiging, dat hun ziel daaronder bedolven wordt. Velen vergapen zich zozeer aan marmeren beelden, goud en schilderijen, dat zij er zelf even ongevoelig door worden als marmer en goud. De geur van lekkernijen vervult zozeer hun brein, dat zij in geestelijke spijze geen smaak meer hebben. En zo gaat het met alle soortgelijke dingen. Dus is het duidelijk, dat hier aan willekeur een sterke breidel moet woijden aangelegd. Paulus ver-I maant dan ook terecht: erzorgt het lichaam, maar niet tot begeerlijkheden (Rom. 14 : 15). Als wij het lichaam teveel toegeven, gaat het de grenzen der betamelijkheid te buiten.

Hiertegen is geen veiliger en doelmatiger middel dan steeds aan de nietigheid van het aardse leven en aan de hemelse heerlijkheid te denken. Hiervoor zijn twee regels: wij moeten deze wereld gebruiken, als die niet misbruikende, vrouwen hebben als die niet hebbende, kopen als niet bezittende, dus in armoede tevreden en geduldig, en in overvloed matig zijn. Als er gezegd wordt, dat wij deze wereld moeten gebruiken, als die niet misbruikende, wordt daardoor niet alleen gewaarschuwd tegen overdaad in spijs en drank en tegen verwijfdheid, behaagzucht, praalzucht en angstvallige zorgvuldigheid in kleding en woning, maar ook tegen alle neigingen, die ons kunnen afleiden van de gedachte aan het eeuwige leven en van het waken over het heil onzer zielen. Terecht zeide de heidense wijsgeer Cato, clat voor zorg voor het lichaam weinig zorg voor de ziel aan de dag legt, en zo zegt ons lied ook:

Dat zonder zelfverloochening geen sterv'ling ooit ten hemel ging.

De christelijke wandel is dus niet aan een bepaalde vorm gebonden, maar volgt de regel, zich nimmer te laten meeslepen, maar veeleer ijvrig te trachten om alle overtollige praal af te leggen, alle vleselijke lusten te beteugelen en zorgvuldig er tegen te waken, opdat het genot van dit leven geen schade toebrenge aan het toekomstig heil.

Calvijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1963

Daniel | 8 Pagina's

Overdenking tijdens de vakantie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1963

Daniel | 8 Pagina's