Lezers reageren
Gebedsnood
Dhr. P. E. S. te Kr. schreef:
„Met klimmende belangstelling lees ik uw artikelen in „Daniël": „Woord en wereld". Vaak rijzen er vragen. Mag ik er één stellen?
In „Woord en wereld" no. 3 (Daniël van 15 maart 1963) schrijft U: „Op de vraag: „hoe staat het dan met hen, die twijfelen, en niet weten, of God hen hoort of niet? " antwoordt Calvijn: „Hun gebeden zijn volkomen ijdel, omdat zij op geen enkele belofte steunen. Want er is ons gezegd dat wij in het geloof moeten bidden en dat het ons dan zal gegeven worden".
Moet ik daaruit nu de conclusie trekken, dat dus alle bidden van een onbekeerd mens volkomen ijdel is. Ook het vragen om bekering?
Hoe moet ik, in dit verband ook, verstaan de tekst, dat God de zondaars niet hoox't, en Ps. 50 „Maar tot de goddelozen zegt God: wat neemt gij Mijn verbond in uw mond en hebt Mijn inzettingen te vertellen? "
Graag had ik op deze vragen een antwoord. Bij voorbaat mijn hartelijke dank. 'k Hoop niet, dat U denkt, dat dit muggenzifterij is, want dat is het zeer beslist niet".
Maar al te vaak zien we de Bijbel als een citatenboek, als een boek waaruit allerlei eeuwige „wijsheden" geput kunnen worden. Hij is echter het Woord van de Geest van Christus, Die hierdoor met élke lezer/hoorder twist, haar/hem wil brengen tot een hartelijk bukken voor God in Jezus Christus. Het Woord bevat géén wijsgerige uitspraken, die uiteindelijk ons leven ongerept en onberoerd laten. Nee, het is dé brief van God aan de mens, waarop Hij ons persoonlijk antwoord verwacht én eist; daarom zijn we ver-antwoordelijk!
En we géven in feite ook een antwoord, hetzij aanvaarding (door de Geest) hetzij verwerping, radikale afwijzing. Van tweeën één, een derde weg is er niet! Met dit antwoord heeft ook ons gebed te maken. De Heere zegt in Ps. 50 tot u en mij: „Offer Gode dank en betaal cle Allerhoogste uw geloften. En roept Mij aan in cle dag der benauwdheid: Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren." Dan volgt de door dhr. S. geciteerde tekst: „maar tot de goddeloze zegt God..."
Het woord „goddeloze" is hier allerminst een vaag begrip. Integendeel, het verband zegt „indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers. Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog. Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder, tegen cle zoon uwer moeder geeft gij lastering uit."
Het gaat in dit verband om mensen, clie de leerstellingen der Schrift verklaren en verdedigen, terwijl.... zij de voorschriften der Schrift met de voeten treden, de twééde tafel der Wet vertrappen, kortom de praktijk der godzaligheid missen. Is dit misschien de foto van óns leven?
De Heere zegt tot hen „Ik zal u straffen en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen". Is dit Zijn laatste woord? Konstateert Hij schandelijke zonden óm maar te kunnen konstateren? Zegt Hij het gericht aan óm maar wraak te kunnen oefenen?
Nee, Hij roept „verstaat dit toch, gij godvergetenden, opdat Ik niet verscheure en niemand redde." Hij is er niet op uit om de mens in de eeuwige dood en ondergang te storten. Zijn Woord is één worsteling met de mens (wij) die z'n eigen ondergang wil bewerken.
Maar als we diefstal plegen, van harte in onvrede leven met onze naaste, van harte ons leven vergooien aan seksuele „slippertjes", enz., terwijl we God tóch bidden om bekering clan walgt Hij van onze gebeden. Is het niet een geraffineerd toneelspel om om verlossing van zonden te bidden, en er intussen in te zwelgen?
Wie in zijn zonden blijft en zó gaat bidden, ontvangt niet „omdat hij kwalijk bidt." Dat is de betekenis van Joh. 9 : 31: en wij weten dat God de zondaars niet hoort".
Bekering en gebed
De bekering is een „hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden (ook in het gebed B.) vertoornd hebben en die hoe langer hoe meer haten en vlieden".
Er zijn mensen, die God bidden om hun dit hartelijk leedwezen te willen schenken, waarbij het hen alléén gaat om de gevoelens van dit leedwezen, zónder van hun zonden verlost te willen worden. Dit is een ijdel (tevergeefs) gebed. Want.... God wil ons niet allereerst bepaalde gevoelens geven, Hij wil ons — door onze zonden ontwrichte — bestaan radikaal vernieuwen en genezen. Hij wil dat de mens wéér leert kennen de „lust en liefde om naar cle wil Gods in alle goede werken te leven". Is het vragen om bekering ijdel? De Heere beveelt niet allereerst „bidt om bekering!", maar „bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen!" Keer u af van het rijk der duisternis, keer met berouw in tot uzelf én keer u toe naar het rijk van Christus! En als we gaan merken dat we onszelf niet bekeren willen, zoals Hij wil, wat dan? De handen maar in de schoot leggen? Of.... onszelf gaan troosten met het gevoel van onze hardnekkige ónwil, of ons berouw over deze onwil? Dit is veelal een levensgevaarlijk medelijden met zichzelf! Want het ergste is niet dat wij God kwijt zijn, maar dat God ons kwijt is! Dat moet ons (gaan) verontrusten!
We mogen niet rusten voordat we hartelijk „ja" mogen en kunnen zeggen op de vraag in het Avondmaalsformulier „of hij ook deze gewisse belofte van God belooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus, vergeven zijn "
Met minder kan én hoeft het niet toe! Niemand van ons heeft met een onbekende God van doen. Want... Christus komt tot ons „in het gewaad van Zijn Woord" (H. Schrift). Hij komt tot ons in het gewaad van Zijn geboden en beloften.
De vrouw „die twaalf jaren bloedvloeien had gehad, zei in zichzelve „indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden".
Grijp dan zó als een onwaardige in Uzelf Zijn gewaad (het Woord) aan opdat ook U in Zijn Woord door de Geest
van Hém moogt horen „weest welgemoed, uw geloof heeft u behouden".
Duizenden mensen bidden tot God zónder zich te beroepen op Zijn Woord; dit is één hemeltergende brutaliteit!
Calvijn schreef volkomen terecht dat élk gebed, dat God niet op Zijn beloften aanspreekt, volkomen ijdel is. Want.. de Heere Jezus zegt „zoekt en gij zult vinden", „klopt en u zal opengedaan worden".
Zullen wij dan gaan zoeken en kloppen zónder Hem te herinneren aan Zijn beloften? Ons zoeken en kloppen zijn vaak ijdel, maar Zijn beloften, die Hij verzegelt in Doop en Avondmaal, zijn nimmer ijdel!
Luther zei eens in een preek (doet u er winst mee!):
„Als wij willen dat God onze gebeden verhoort, moeten wij eerst Gods Woord horen, anders hoort Hij ons niet, ook al zouden we wenen en schreeuwen tot we barstten. Ik heb veel met God gedisputeerd en heb Hem Zijn beloften voor de voeten geworpen.
Laat nu alles maar verdwijnen, waarop ik eenmaal vertrouwde. Heere, Gij alleen zijt het die helpt en troost. Gij hebt gezegd dat Gij me helpen wilt. Uw woorden geloof ik. Daarop verlaat ik mij en daarbij wil ik blijven, er gebeure wat gebeurt. Ach, mijn God en Heere, ik heb een vrolijk en troostrijk woord van U gehoord, daaraan hang ik, ge zult tegenover mij niet tot een leugenaar worden, dat weet ik. Ge kunt u houden, zoals Ge wilt, wat ge beloofd hebt, dat zult ge volbrengen, dat en niets anders"1)
We horen hier de echo van Jacob's kreet: „ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent".
Weerklinkt deze echo ook al in óns leven?
Dan begrijpen we ook Guido Gezelle, toen hij zei:
GIJ badt op eenen berg alleen, en.... Jesu, ik en vind er geen waar 'k hoog genoeg kan klimmen om U alleen te vinden: de wereld wil mij achterna, alwaar ik ga of sta of ooit mijn ogen sla; en arm als ik en is er geen, geen een, die nood hebbe en niet klagen kan; die honger, en niet vragen kan; , die pijne, en niet gewagen kan hoe zeer het doet! o Leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!
1) prof. dr. W. J. Kooiman „Luther - zijn weg en werk -” 1959 pag. 175.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1963
Daniel | 8 Pagina's