JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Lezers reageren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Lezers reageren

7 minuten leestijd

Dhr. K. H. te W. schrijft:

„Na het lezen van uw boeiende artikel in Daniël dacht ik: hoe zou het komen dat er in onze dagen zo weinig gehoord wordt van het doorbrekende werk des Geestes bij Gods Volk, dat zovelen jarenlang klagen over hun ellende en zelden of nooit roemen over de verlossingen in Christus Jezus?

Kunt u hierover misschien iets naders schrijven? "

GELOOF EN BELOFTE

Ik hoop en vertrouw dat deze vraag uit een andere geest voortkomt dan die, welke een schriftgeleerde eens aan Jezus stelde: „zijn het weinigen, die zalig worden? "

Voorts: dat wij weinig horen van het voortgaande werk des Geestes, wil uiteraard nog niet zeggen dat dit er niet zou zijn. Wij zijn toch geen hartekenners! Er zijn stillen in den lande, wier daden méér zeggen dan talrijke woorden.

De Heere Jezus vergelijkt het werk des Geestes met een wind; „gij hoort zijn geluid" (niet: gij hoort dat anderen zijn geluid horen), „maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat". Wij willen, van nature, de Geest zo graag kontroleren, terwijl — als het goed is — het omgekeerde in ons leven het geval moet zijn.

Calvijn omschreef het geloof als „een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, welke gegrond is op de waarheid van Zijn genadige belofte in Christus, door de Heilige Geest aan ons verstand wordt geopenbaard en in ons hart wordt verzegeld."

De genadige belofte in Christus is de grond des geloofs, het geloof rust a.h.w. op de belofte; het is een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons.

Verder getuigde Calvijn:

„Ongetwijfeld, zo vaak ons God zo zijn Woord aanprijst, verwijt Hij ons zijdelings onze ongelovigheid: want Hij legt het op niets anders toe dan om verkeerde twijfelingen uit onze harten uit te roeien. Er zijn ook veel mensen, die Gods barmhartigheid zo opvatten, dat zij daaruit zo weinig mogelijk troost ontvangen. Want zij worden tegelijkertijd door een ellendige angstigheid gekweld, doordat ze twijfelen, of Hij hun barmhartig zal zijn; want juist die goedertierenheid, waarvan ze menen volkomen overtuigd te zijn, sluiten zij in binnen al te nauwe grenzen. Immers zij overleggen zo bij zichzelf dat zij wel groot is en overvloedig, uitgestort over velen en voor allen beschikbaar en bereid, maar dat het onzeker is, of zij ook tot hen zal komen of liever of zij tot haar zullen komen. Deze gedachte is, daar zij midden in haar loop blijft stilstaan, slechts half. En zo versterkt zij de geest niet zozeer met onbezorgde gerustheid, als wel bekommert zij hem met onrustige twijfeling. Geheel anders is het besef van volledigheid, welke aan het geloof in de Schrift altijd wordt toegekend, namelijk het besef dat Gods goedheid, wanneer die ons duidelijk voor ogen gesteld wordt, buiten alle twijfel stelt. En dit kan niet geschieden, zonder dat wij haar liefelijkheid naar waarheid gevoelen en in onszelf ervaren.

Hierom gaat het voornamelijk in het geloof, dat wij niet menen, dat de beloften der barmhartigheid, die de Heere biedt, slechts buiten ons waar zijn, maar in ons niet, maar dat wij ze veeleer binnen ons aanvaarden en tot de onze maken. Eerst hieruit ontstaat dat vertrouwen, dat dezelfde apostel elders vrede noemt (Rom. 5 : 1); tenzij iemand liever het zo wil uitleggen, dat daaruit de vrede ontstaat. En dit vertrouwen is een gerustheid, die het geweten voor Gods oordeel kalmeert en opgewekt maakt, zonder welke het door een onrustige angst gekweld en bijna verscheurd moet worden, tenzij het wellicht God en zichzelf vergetend, voor een ogen-

blik insluimert. Inderdaad voor een ogenblik: immers niet lang geniet het van die ellendige vergetelheid, maar het wordt door de herinnering aan het Goddelijk oordeel, die herhaaldelijk terugkomt, zeer heftig gepijnigd. Kortom waarlijk gelovig is slechts hij, die met een vaste overtuiging er van overtuigd is, dat God hem een genadig en goedgunstig Vader is, en die van Gods goedertierenheid zichzelf alles belooft, die, op de beloften van Gods goedgunstigheid jegens hem vertrouwend, een ontwijfelbare verwachting der zaligheid heeft.

Dit zij de hoofdzaak: Zodra ook de minste droppel des geloofs in onze harten is ingedruppeld, beginnen wij reeds het vriendelijke en liefelijke en ons goedgunstige gelaat Gods te aanschouwen, weliswaar uit de verte en op een afstand, maar toch met een zo vaste blik, dat wij weten, dat wij allerminst het ons slechts inbeelden. Naarmate wij dan vorderingen maken, zoals wij voortdurend moeten doen, komen wij, als het ware naderend, tot een aanschouwing van meer dichtbij en die daardoor des te zekerder is, en die wordt ons bij de voortgang steeds meer vertrouwd. Zo zien wij, dat het hart door de kennis Gods verlicht, in het begin bevangen is met veel onwetendheid, die langzamerhand verdwijnt. Toch wordt het niet, doordat het sommige dingen niet weet, of wat het ziet enigszins onduidelijk ziet, verhinderd om een duidelijke kennis van Gods wil jegens hem te genieten, wat in het geloof de eerste en voornaamste rol speelt. Want evenals wanneer iemand, die in de gevangenis opgesloten, door een klein venster de stralen van de zon slechts van terzijde en als het ware ten halve ziet schitteren, wel beroofd is van het vrije aanschouwen der zon, maar toch met zijn ogen geen twijfelachtige glans opvangt en het gebruik daarvan ontvangt, zo worden wij hoewel we gebonden zijn door de boeien van aardse lichamen en met veel duisternis aan alle kanten worden omschaduwd, toch, ofschoon Gods licht slechts een weinig ons bestraalt om zijn barmhartigheid te doen zien, voldoende verlicht om een grondige gerustheid te verkrijgen"

Lezer(es), dit lange citaat spreekt voor zichzelf! Herlees het (nog eens) en laat het goed op u inwerken.

In het geloof gaat het er dus om dat, zal het wel zijn, wij de beloften der barmhartigheid , , binnen ons aanvaarden en tot de onze maken". Calvijn kent, in gehoorzaamheid aan de Schrift, niet een vals-lijdelijk geloof, maar het geloof door Gods Geest gewerkt in het hart en „dat door de liefde werkt, " Maar hoe is het dan met twijfel, aanvechtingen, enz.? Hierover zegt Calvijn:

„Om deze aanvallen te weerstaan wapent en versterkt het geloof zich met het Woord des Heeren. En wanneer het aangevallen wordt door een aanvechting van deze aard dat God onze vijand is, omdat Hij verbolgen is, dan zegt het geloof daarop, dat Hij ook, wanneer Hij kastijdt, barmhartig is, omdat de kastijding veeleer uit liefde dan uit toorn voortkomt. Als het getroffen wordt door deze gedachte, dat God eerwreker is der ongerechtigheden, dan stelt het daartegenover, dat voor alle zonden vergeving bereid is, zo dikwijls als de zondaar zich begeeft tot 's Heeren goedertierenheid. Zo komt een vroom hart, op welke wonderdbare wijzen het ook geschokt en gekweld wordt, toch einrelijk alle moeilijkheden te boven en laat zich nooit het vertrouwen op Gods barmhartigheid ontnemen. Ja zelfs alle aanvechtingen, door welke het gekweld en vermoeid wordt, lopen uit op de zekerheid van dat vertrouwen." 2).

SLOTOPMERKING

In twee citaten treft u het getuigenis der Reformatie aan, dat zich beroept en gegrond is op het Woord des Heeren. Laten we onszelf zéér persoonlijk aan dit getuigenis toetsen! Als elke lezer(es) de „Institutie" van Calvijn zou bezitten en/of lezen, dan had ik deze citaten weg kunnen laten, en daarnaar zonder meer kunnen verwijzen. Ik raad u dringend aan dit voortreffelijk werk aan te schaffen én te bestuderen. U treft in dit werk het getuigenis der Reformatie, in grote bewogenheid gegeven, aan. Het is stichtelijk, in de beste zin des woords. Laten we ons hoeden voor de ernstige fout onszelf „calvinist" te (laten) noemen, zónder ooit grondig kennis genomen te hebben van dit hoofdwerk van Calvijn!


1) Institutie BK. III Hfdst. II par. 15, 16, 19

2) Idem idem par. '21

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1963

Daniel | 8 Pagina's

Lezers reageren

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1963

Daniel | 8 Pagina's