JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Lezers reageren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Lezers reageren

8 minuten leestijd

In het vorige artikel werd een reaktie van dhr. J. Fl. te A. reeds tendele beantwoord. Door een misverstand werd deze reaktie helaas niet in dat artikel afgedrukt. Dit gebeurt nu in sterk verkorte vorm:

„U schreef over Gods beloften, dat in de doop ons de vergeving der zonden wordt, aangeboden. Maar wat moeten wij doen met de vergeving der zonden, met Christus, als wij niet eerst aan onze zonden ontdekt zijn? De verlossing komt toch eerst als wij onze ellende hebben leren kennen? Dat is een vaak gehoorde vraag. Maar als Petrus in de zaal van Kajafas is en zijn Meester, ondanks de gedane waarschuwing drie maal verloochent, ziet hij dan éérst zijn ellende, en zijn grote zonde? Nee, hij ziet CHRISTUS die zich omdraait en hem aankijkt, en dan pas beseft hij wat hij gedaan heeft.

We kunnen ons m i. op verschillende manieren onze ogen voor Christus en Zijn liefde sluiten: A. door te menen dat Christus er nu niet meer is, d.w.z. dat Hij niet meer vóór ons staat, ofschoon Hij dagelijks tot ons komt in de Geest door het Woord; B. door Zijn liefde in twijfel te trekken, rn.a.w. de belofte ons in de Doop gedaan hoogmoedig afwijzen.

Als we nog even terugkomen op de vraag die we aan het begin aangehaald hebben, dan volgt hieruit nog een andere vraag, namelijk: Als Christus het „wee u!" over Chorazim en Bethsaïda uitspreekt, hun het ongeloof verwijt, is Hij dan wel rechtvaardig? "

Wellicht leest U nu nog even het artikel in „Daniël" van 5 juli j.l. In dit artikel voltooi ik deze beantwoording.

Geloof en ongeloof

Christus Jezus zegt „indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook mijn Vader."

Met „zonde" bedoelt Jezus hier niet alle zonde in ? t algemeen. Hij bedoelt één bepaalde zonde: het verwerpen van Hem als Messias.

Als Hij zich niet als Messias zo duidelijk en zo herhaaldelijk had geopenbaard, dan was het geen zonde geweest dat men Ilem niet erkende. Maar nu heeft Hij het keer op keer gezegd, nu is het een welbewust verwerpen. Nu is er géén ekskuus meer! Door Hem te haten, haat men ook de Vader, want „alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft" én „wie Mij gezien heeft, heeft cle Vader gezien." Wie de Gift verwerpt, verwerpt óók de Gever (de Vader), doet de Geest der genade smaadheid aan! Jezus Christus komt nu tot ons, u en mij, in het gewaad van het Woord. Hoe gaan we met Zijn Woorcl om, hoe ontmoeten we Hem? Beseffen we clat cle bijbel niet een verzameling letters of ideeën is, maar clat Jezus Christus op elke bladzijde voor ons staat?

Dit zal Hij straks ook doen op de jongste Dag, ook dan komt Hij tot ons in het gewaad van het Woorcl: „wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet ontvangt, heeft clie hem oordeelt; het woorcl dat Ik gesproken heb, clat zal hem oordelen ten laatste dage".

Trouwens, iedere keer als we het Woord

horen en lezen (doet u dat? ), voltrekt zich een voorspel van het laatste Oordeel: Jezus Christus veroordeelt ons in het Evangelie vanwege ons ongeloof én spreekt vrij „die in hun zonden en ellenden, tot Hem zich ter genezing wenden." De Heilige Geest overtuigt door het Woord de wereld van zonde, „van zonde, omdat zij in Mij niet geloven." Onze hoofdzonde is het ongeloof. Met Adam geloofden we in het paradijs Gods beloften niet, wél het woord van de duivel. En nu Jezus Christus, de tweede Adam, tot ons komt „om zondaren zalig te maken, " handhaven we ons ongeloof. Vreselijk!!!

We geloven Hem en Zijn beloften niet, en beledigen daarmee de drieënige God. Daarom zegt Calvijn van hen die „geloven dat er een God is en menen dat de evangelische geschiedenis en cle overige delen der Schrift waar zijn." (historieel geloof):

„Maar evenals deze schaduw of dit schijnbeeld van het geloof van geen betekenis is, zo is het ook niet waard geloof genoemd te worden. Want zij maken zichzelf wijs, dat de eerbied dien zij Gods Woord betonen, de eigenlijke vroomheid is, omdat zij menen, dat slechts een kennelijke en openlijk uitgesproken smaad en verachting goddeloosheid is. En hoe die instemming ook is, zij dringt allerminst door tot het hart zelf, om daarin vastgehecht te blijven; en hoewel ze somtijds wortel schijnt geschoten te hebben, is die wortel toch niet levend. Het menselijk hart heeft zoveel schuilhoeken der ijdelheid en is zo vol van verborgen plaatsen der leugen, en is met zo bedriegelijke veinzerij bedekt, dat het dikwijls zichzelf bedriegt. Maar zij, die roemen op zulke schijnbeelden van geloof, moeten begrijpen, dat ze in dit opzicht niets boven de duivelen uitgaan.

Voorzeker de eersten, namelijk die zonder gevoel horen en verstaan, staan ver beneden de duivelen, want dezen sidderen bij die kennis (Jac. 2 : 19), de anderen zijn de duivelen hierin gelijk, dat het gevoelen, waardoor ze aangeraakt worden, van welke aard het ook zij, eindelijk uitloopt op schrik en ontzetting"1).

De historieel-„gelovige" maakt zich clus schuldig aan ernstig zelf-bedrog, weigert zijn ongeloof als ongeloof te belijden, wijst Jezus Christus af! „Dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren, noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet cloor gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, aan het kruis geofferd, maar cloor hun eigen schuld."

Lezer(es), u bent cloor het Evangelie geroepen. Geldt het „zich niet bekeren, noch in Christus geloven" ook u? Als u daarin volhardt, u ver-hardt, en zo in ongeloof moet vergaan, clan is dat uw eigen schuld! Want u hebt gehoord dat „het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden", en hebt clat dierbaar bloed „onrein geacht". U bent, als Kapernaüm, „tot de hemel toe verhoogd", in aanraking gebracht met Jezus Christus, maar u zult — als Kapernaüm — „tot de hel toe nedergestoten worden". De bekende oude schrijver Guthry getuigde eens, en neem dit getuigenis ter harte!;

„Het is volkomen waar dat het zaligmakend geloof, waardoor alléén God en Christus hartelijk aangegrepen wordt, boven onze kracht en een gave Gods is, gelijk we reeds zeiden; nochtans gedenk deze dingen.

le. De Heere heeft het als een plicht, op allen die het evangelie horen, gelegd, dat zij hartelijk Zijn aanbod van zaligheid in Christus aangrijpen, gelijk duidelijk uit de Schrift blijkt. En gij moet weten, dat hoewel het niet in onze macht is, die plicht uit onszelf te volbrengen, God nochtans ieder rechtvaardig veroordelen mag wegens het verzuim van die plicht, - en dat wij niet te verschonen zijn, omdat Hij de mens volkomen machtig geschapen heeft, om te doen alles wat Hij gebieden zou.

2e. Als de Heere gebiedt wat boven onze macht is, zo wil Hij, dat wij gevoelig zullen zijn over onze machteloosheid, en dat wij Hom zullen vragen om zelf Zijn gebod in ons te volbrengen; terwijl hij ook beloofd heeft een nieuw hart te zullen geven, van welke beloften Hij niemand uitgesloten heeft.

3e. De Heere is gewoon, door middel van deze bevelen en nodigingen, door onze overdenking en smeking, kracht tot de ziel toe te voeren, ten einde die plicht te verrichten.

Alzo tot beantwoording van die tegenwerping bid ik in de naam des Heeren, dat gij Zijn beloften en bevelen ter harte neemt en dat gij hierover uw gedachten laat gaan; alsook over het zalige werk van het nieuwe verbond; dat gij God daarom bidt zoveel gij kunt (want Hij wil om deze dingen aangezocht zijn, Exodus 36 : 37); en uw koud gemoed op die voorgestelde weg Gods en op Jezus Christus, die tot een Verbond aan het volk gegeven is, nederlegt en op Hem ziet om leven en opwekking. Gaat en beproeft om die zaligheid aan te nemen, op de wijze zoals God die aanbiedt; grijpt Christus aan en rust op Hem om de zaligheid alsof alles in uw macht was, doch van Hem de zaak verwachtende, overtuigd zijnde dat ze van Hem komen moet. Indien gij alzo doet, dan zal Hij, die degenen ontmoet, die Zijner gedenken op zijn wegen, Jes. 64 : 5, van Zijn zijde niet ontbx-eken, en zult gij geen reden hebben om te zeggen, dat gij u uitstrekt naar de zaak totdat gij niet meer kunt, uit gebrek aan sterkte en het aan Gods deur liet liggen. Van zijn zijde zal het niet falen, indien gij een hart voor dat werk hebt; ja ik mag zeggen, dat, indien uw hart door al wat gij ooit van de zaak gehoord hebt en lust en liefde er toe heeft en wenst haar deelachtig te zijn, dat gij dan dat werk alreeds binnen in u verricht, zodat de zwarigheid over is, eer gij het gewaar zijt geworden" 2 ).


1) J. Calvijn: „Institutie" Bk III, Hfdst. II par. 9, 10;

2) W. Guthry; „Des Christens Groot Interest" 1957 p. 109, 110.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1963

Daniel | 8 Pagina's

Lezers reageren

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 juli 1963

Daniel | 8 Pagina's