Gaat alles tegenlopen?
Er wordt aan de deur van de woning van Schwartz geklopt. Jozef, de knecht van de zendeling, doet de deur open en ziet een man staan, die op het eerste gezicht wel een engelsman schijnt te zijn. Hij zal wel een lange reis achter de rug hebben, want hij ziet er vermoeid uit en zijn kleren en schoenen zitten onder het stof.
„Is uw heer thuis? " vraagt de vreemdeling aan Jozef. „Nee sinds zes dagen is hij in Trichinopoli."
De bezoeker schrikt ervan en vraagt: „In Trichinopoli? Daar werkt toch een ander in zijn plaats? " „Dat is ook zo, maar die ander heeft raad nodig, want alles wat mijn heer daar heeft opgebouwd zou hij verwoesten. Het was hard nodig dat mijn heer er heen ging. Kom echter binnen, dan kunnen we verder spreken en u kunt iets gebruiken."
Even later zitten ze binnen. De vreemde heeft kokosmelk van Jozef gekregen en dat doet hem goed. Hij wordt spraakzaam en vertelt aan de knecht wat hij hier komt doen.
„Ik kom uit de stad Palamkotta in Tinnewelly met het verzoek of de heer Schwartz mij zou willen trouwen. Dan kon hij ook in mijn woonplaats en in Madura kinderen dopen." Jozef schudt zijn hoofd en zegt: „Ik vrees dat uw reis tevergeefs is geweest. Naar Palamkotta is ver en ik geloof niet, dat mijn heer die lange reis met u zal meegaan."
„Hoe zo? Is uw heer moe geworden? Zijn ijver en werkkracht zijn toch bij ieder bekend? " „U weet er niet veel van, " zegt Jozef somber. „Ik weet maar al te goed, hoe vermoeid mijn meester is. Zijn haar is in korte tijd grijs geworden en hij loopt gebukt onder een berg van zorgen. Het verwondert me iedere dag dat hij de moed nog niet heeft verloren."
„Welke zorgen heeft hij dan? U spreekt van een berg van zorgen? "
Jozef wacht even om antwoord te geven. Waar moet hij eerst beginnen?
„Mijn heer gaat met mij om als een broeder. Ik dien hem nu negen jaar en alles wat hem drukt vertelt hij mij, en daarom weet ik dat een berg van zorgen op hem rust."
De vreemdeling luistert met gespannen aandacht. „In Europa gaat het geloof kwijnen en dan gaat ook de liefde tot de zending minderen. Inplaats van het werk der zending te steunen gaat men het tegenwerken. Velen spotten met het zendingswerk inplaats ervoor te bidden. De eerste jaren toen ik bij mijn heer was, wisten wij dat in zijn vaderland gebeden werd en geholpen zoveel men kon. Dat gaf moed in de vele aanvechtingen en het geloof werd versterkt. En op 't ogenblik hebben we de hulp zo hard nodig, want u weet toch wel hoe het met de zending erbij staat, hè? " De vreemdeling schudt met zijn hoofd en is één en al vraag. Dan gaat Jozef verder:
„Het is alsof de Heere Zijn hand van ons heeft afgetrokken. Het is of alles zal instorten wat we hebben gebouwd. De steunpilaren zijn aan het wankelen gebracht."
„Wie bedoelt u met steunpilaren? " „Wel, neem vooreerst Hüttemann in Kudelur. Deze man gaat al lang zijn eigen wegen, tot grote ergernis van de broeders. Hij is helemaal afgedwaald. Van ijver voor de zaak des Heeren is niets meer te bespeuren. Hij heeft geen geloof meer en hij verkiest luiheid boven arbeid. U kunt wel begrijpen hoe mijn meester daarover treurt."
„Dat is heel erg."
„Erg? Dat zou ik denken. Maar dat is alles nog niet. Denk eens aan Kiermander in Calcutta. Die man is de wereld ingegaan en dient de mammon. Inplaats van te zoeken naar de schoonste parel, zoekt hij de aardse schatten. Het zendingshuis daar is een verkoophuis geworden en de koopman is de vroegere zendeling."
De vreemde kijkt Jozef verwonderd aan.
„Ja, kijk maar niet verwonderd en ongelovig. Het is alles inderdaad de waarheid. Nog veel zwaardere slag is gevallen, toen mijn goede meester bericht uit Madras kreeg. In dat bericht stond, dat Fabrizius voor schulden gevangen zit. Als ik daaraan denk! Fabrizius, het was een man Gods, een licht onder de zendelingen."
De vreemde gaat staan en heftig zegt hij tot Jozef: „Maar man, u spreekt als een waanzinnige. Hoe kan nou Fabrizius voor schulden gevangen zitten? Dat is onmogelijk; eer loopt het water tegen de berg op. Deze man is in mijn ogen als een engel Gods."
„Dat is hij mij ook, " zucht Jozef. „Toch zit hij gevangen. Hij kan niet met geld omgaan. Hij heeft gespeculeerd met zendingsgelden en door deze onhandigheid is hij in grote schulden gekomen. Wat helpt het, al heeft hij het met goede bedoelingen gedaan, en al is hij dan half schuldig? Door dat geval heeft hij de zaak des Heeren zeer benadeeld. Zijn vertrouwen bij de mensen is hij kwijt en de gemeente wordt zodoende verwoest. Verstaat u nu wat ik bedoel met een berg zorgen? "
De gast knikt en zegt geen woord.
„Hier ter plaatse heeft mijn heer zo weinig hulp. Wat was hij blij toen Rajappen tot bekering kwam en mijn meester goede hoop had, dat deze jonge man een bekwaam helper zou worden. Ach, nog geen twee jaar geleden hebben we de man moeten begraven. De mensen, die hem nu ten dienste staan, kan hij het volste vertrouwen niet geven. En dan komt er nog bij, dat we in Tanjour nog steeds geen kerkgebouw hebben. Hoe kan de gemeente bloeien als ze geen plaats van samenkomst heeft? Het zou mij niet verwonderen als mijn heer evenals Elia zei: „Het is genoeg, neem nu, Heere, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen." „Nu zie ik, dat ik mijn reis tevergeefs heb gemaakt. Ik zal naar Trichinopoli gaan en de heer Schwartz opzoeken. Komt hij niet mee, dan heb ik de man Gods toch gezien."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1963
Daniel | 8 Pagina's