Magnolia
(Tulpenboom)
Na de vroegbloeiers, die elk jaar sneeuw en vorst trotseren, zijn de andere bloemen te voorschijn gekomen en terecht kunnen we mei de bloeimaand noemen. Het schijnt of de planten zich in deze maand gaan haasten om in bloei uit te breken, uitbundig en blij, elk naar zijn aard, het eenvoudige vergeet-mij-nietje naast de prachtige sering en gouden regen; de laag-bij-de-grond bloeiende alyssum en de honderden kaarsen in de kastanjebomen. In enkele tuinen staat vorstelijk de magnolia met haar tientallen witte bekers te pralen in de zon.
In de bundel „Doorzichten" van Martien Beversluis (uitgave van Callenbach, Nijkerk) is ook een gedicht opgenomen met de titel Magnolia. Het begint aldus:
Onder haar ingevouwen bloemenflitsen hebben de sneeuwklok en de akoniet de strenge januari uitgebengeld.
En gij waart hout nog en verroerdet niet. Maar onder 't sneeuwen al en in de bitse regen en hagel, door storm vermengeld, ontwaakte uw bloem, satijnzacht en ver-engeld, zoals de ziel groeit in het grootst verdriet.
Terwijl de sneeuwklokjes en akonieten aan de voet van de magnolia volop bloeiden, bleef de tulpenboom nog onberoerd, met dorre takken: het was nog te vroeg om tot bloeien over te gaan. En toch, wie goed keek, zag stilaan het begin komen op de plaatsen waar de bloemen straks zouden zitten, zo zacht als satijn en ver-engeld, zo zuiver en ongerept. Onder het stormen en regenen en hagelen groeiden de knoppen om straks in volle luister uit te breken. Zo, zegt de dichter, groeit de ziel in het grootst verdriet. Tegenspoed is heilzaam voor de ziel; de ziel wordt gelouterd door het lijden.
De vroege zon met kinderlijke stralen, vóór nog het jonge licht zijn gloed verkreeg, hebben uw bladen, klein en nog onzeker, tot de bazuin gestoken al, die zweeg.
De eerste bij kwam slaperig al dalen in uw zeer kostbr' en brekelijke beker. En naar 't meer groende om u werd gij bleker, als onze ziel kwijnt bij de stuw van 't bloed.
De kleine bladen van de bloem, in de vorm van een bazuin, die geen geluid liet horen, zijn zich schuchter gaan openen, zó zelfs, dat de eerste bij de jonge bloem kon binnen dringen. Die bloem was nog bros (brekelijke beker) en werd voortdurend witter, (bleker). Zó, zegt de dichter, is het alsof de ziel gaat kwijnen als het bloed gaat stuwen: Hoe meer het lichamelijke op de voorgrond treedt, des te minder worden de vermogens der ziel. Rondom de magnoliabloem gaat het meer groenen, maar des te witter wordt de bloem.
Nu zijt gij niets dan schelpen en amforen in een zacht schommelen of volmaakte stilt'. En aard-ontkomen staat gij opgeheven
gelijk een kind dat men ten hemel tilt. Gij zijt uit 't donkerst tot dit licht gekomen. En openbarend werdt gij uitgedreven om uw inwonende geheim te geven aan hem, die 't in u nog beluist'ren wil.
Nu is de bloem in volle bloei gekomen: we zien niets dan witte schelpen en amforen (vazen met smalle hals en twee oren); zo is de vorm van de schitterende bloem, die uit de donkere aarde en uit het zwarte hout van de boom tot het licht is geraakt. Nu heeft de bloem haar geheim prijsgegeven: uit het donker is ze tot het licht mogen komen; na lijden kwam verblijden. Maar niet iedereen verstaat dat. Voor velen is het een mooie bloem, die de tuin aardig kan versieren. Maar die naar de stille stem wil luisteren, die zal het geheim kunnen verstaan.
Uw bloei en geur is vluchtig, onherkenbaar als al wat vloeit hier, woorden en muziek, uit 't achtergrond'lijk, maar aan niets te meten dan water, maanlicht, vlok en meeuwenwiek.
Gij draagt 't versterven in u onafwendbaar naar méér het blad uw kelken doet vergeten, als óns het edelst welkt door meer te weten, maar heft de graal weer boven de tragiek.
Wie kan uitspreken wat bloeien en geuren is? Wie kan het wonder van het woord peilen en van de muziek? Wie kan in woorden zeggen wat vloeiend water is, of het maanlicht, een sneeuwvlok, de vleugelslag van de meeuwen?
Er is een diepe achtergrond in heel de schepping. Alles is aan wisseling onderhevig, het water, het licht van de maan, de sneeuwvlokken, het vleugelen der meeuwen.
De schone magnolia is slechts voor een tijd. De bloem draagt de dood in zich: onafwendbaar zal het versterven komen, en dat des te meer, hoe groter de groene bladeren van de boom zich gaan ontwikkelen. Het edele, het kinderlijke, het ongerepte, gaat verwelken als we meer gaan weten, als we groter gaan worden. Dan zullen de verdrietelijkheden niet uitblijven. Dan gaat het edele zo gauw schuil en is haast niet meer te vinden. Maar, zegt de dichter, dan komt het er juist op aan om in zulke omstandigheden de graal (schaal, zoals de vorm van de bloem is) te heffen (uit te steken) boven de tragiek, boven de verdrietelijkheden en teleurstellingen van het leven.
De psalmdichter zou zeggen: „In de grootste smarten blijven onze harten in de Heere gerust."
INDEX
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 1963
Daniel | 8 Pagina's